8e zondag door het jaar C

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

"De volmaaktheid is niet van deze wereld", zeggen de mensen en ze hebben gelijk. Jezus weet dat ook en Hij zegt het ook: "Waarom noemt gij Mij goed", zegt Hij tot de rijke jongeling, "niemand is goed tenzij God". Toch zegt Hij ook: "Wees volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is". Is dit gebod dan onmogelijk? Voor de mensen wel, maar niet voor God. "Wie kan dan nog gered worden?", vragen de Apostelen. "Voor de mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk", antwoordt Jezus. Met die vraag van de Apostelen staan we reeds ver in het Evangelie, maar vanaf het begin, bij de ontvouwing van zijn leer, reikt Jezus al een helpende hand. Hij zegt dat volmaaktheid barmhartigheid is. Volmaakt is wie het onvolmaakte door de vingers ziet. "Wees barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is", staat gelijk met: "Wees volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is".

Dat is een hele opluchting voor de lezer van het evangelie. Het verheldert heel zijn denken, het verlicht zijn hele gemoed. Het brengt mildheid over heel het leven. Het geeft vertrouwen als hij weet dat God zo is, en dat hijzelf en de anderen zo moeten zijn, máár zo moeten zijn om volmaakt te zijn. Barmhartigheid is vriendelijker dan volmaaktheid. Barmhartigheid is menselijker. Als ze nu ook synoniem is voor de volmaaktheid van God, is dat een welkome verrassing. Jezus' leer is een leer van barmhartigheid en dat maakt het leven weer goed. Volmaaktheid is iets voor zuivere lijnen en figuren, minder geschikt om de beste mensen te kenmerken. Het doet meer deugd een barmhartige mens te ontmoeten, dan iemand die volmaakt meent te zijn. En barmhartigheid is direct te herkennen, volmaaktheid nooit.

Het is aan barmhartigheid dat we nood hebben, want we zijn niet volmaakt. Jezus wijst er ons op. We zijn blinden die blinden leiden. We zijn leerlingen die zich boven de meester wanen. "Een balk hebben we in ons eigen ogen" en kijken naar de splinter in het oog van onze broeder. We denken goede vruchten voort te brengen en goede mensen te zijn, maar nog eens: "Niemand is goed tenzij God". Als elke betoging zal ontbonden zijn en elk onrecht ongedaan gemaakt, als het laatste boek van theologie en moraal zal geschreven en gelezen zijn en alle onbegrip verhelderd, zal de nood aan barmhartigheid nog groot zijn. Het zal de enige nood zijn. De nood aan vergiffenis van allen voor allen, de nood aan verzoening, de nood aan Gods totale, ongeschondene, volmaakte barmhartigheid. Dan zullen de doden de doden niet meer begraven, ze zullen het niet meer willen, niet meer kunnen, niet meer hoeven, want allen zullen leven. Wie de nood aan Gods barmhartigheid erkent, zal Gods barmhartigheid zelf erkennen.

Toen David het leven van koning Saul redde en uit het slapende legerkamp alleen diens lans en waterkruik meenam en die weer terug liet nemen, zodat Saul zich verder kon verdedigen en niet van dorst moest omkomen, was hij niet volmaakt, maar barmhartig. Saul bestreed hem ten onrechte. Zijn lans zou hij niet gebruiken om zich te verdedigen, maar om aan te vallen en verder het leven van David te belagen. David zou zelf als koning nooit volmaakt worden en zeker niet altijd barmhartig zijn. Toen hij Saul spaarde was het uit grootmoedigheid, maar ook uit schroom: hij had ontzag voor God en de koning. "Wie slaat ongestraft de hand aan de gezalfde van Jahwe"? Als de Wijsheid niet alle mensen gunstig beoordeelt, is het uit voorzichtigheid die de ervaring leert: "Het werk van de pottenbakker wordt beproefd door de oven, en de mens door wat hij zegt in het gesprek".

Als Jezus zijn leer samenvat, gaat Hij verder dan grootmoedigheid en schroom, verder dan voorzichtigheid, wijsheid en ervaring. Hij is barmhartig en daarom is Hij volmaakt. Hij is de volmaakte Zoon "van de Allerhoogste, die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten", en die zijn "recht op dank" moedwillig vergeet.