8e zondag door het jaar C

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Vele jaren geleden was er een carnavalsliedje van Nico Haak over ‘Foxie Foxtrot met zijn elastieken benen...'. De evangelielezing van dit weekend gaat over mensen met een geweten van elastiek. Dat geweten is immers heel ruim wanneer ze over zichzelf moeten oordelen, en heel eng wanneer ze een ander beoordelen. We meten dikwijls met twee maten: de ander doet veel en vlug verkeerd, en wijzelf maar zelden. Ons geweten is rekbaar als elastiek.

Mensen die anderen op hun fouten menen te moeten wijzen terwijl ze zelf nog veel moeten leren, vergelijkt Jezus met blinden. Ze zien immers wel de splinter in het oog van een ander, maar de balk in hun eigen oog zien ze niet. Huichelaars noemt Hij hen, noemt Hij ons, met ons elastieken geweten: streng en hard voor anderen, mild en soepel voor onszelf. Andermans fouten worden aangedikt, eigen onvolkomenheden goedgepraat. Wie zo doet, is blind, zegt Jezus, heeft een plank voor de kop, en komt ten val.

Maar gelukkig lopen er ook andere mensen mee in de stoet van het leven. Ze kennen zichzelf maar al te goed, en zijn daarom mild en verdraagzaam voor anderen. Ze zijn als gezonde bomen, die, omdat ze geworteld staan in eerlijke zelfkennis, goede vruchten dragen.

Voortdurend wordt in de Bijbel het volk van God vergeleken met een wijngaard, of worden mensen vergeleken met de bomen in een boomgaard. Soms levert de wijnstok - het volk Israël - geen of slechte vruchten op, en gaat God aan het snoeien in zijn wijngaard. Andere keren brengt Israël veel goeds teweeg, en spreekt de Bijbel van een bloeiende wijngaard, en wordt het volk van God genoemd.

Soms leeft een mens alleen maar voor zichzelf; dan lijkt hij op een kale boom met geen of rotte vruchten, een rank met zure druiven. Maar een mens kan ook leven naar anderen toe, met zijn armen, als takken aan een boom, uitgestoken naar anderen. Dan leeft hij als een boom die vrucht draagt, goede vruchten, waaraan anderen plezier kunnen beleven.

Wat goede en wat slechte vruchten zijn, beschrijft Paulus aan de Galaten. Hij noemt de zeven goede vruchten waaraan je een goede boom kunt herkennen. Ik loop ze even met u langs.

We dragen slechte vrucht als we elkaar zeer doen en verdriet bezorgen. Onze levensboom staat er goed bij als we vreugde brengen. Dat is één: een blije mens zien te zijn.
Ruzie zoeken, schrijft Paulus, deugt niet; je moet een mens zijn die vrede brengt. Dat is twee.
Een derde goede vrucht waaraan wij te herkennen moeten zijn, is geduld hebben met mensen.
We moeten - vier - niet al te berekenend omgaan met elkaar, maar ons hart laten spreken.
Ten vijfde: betrouwbaar zijn.
Slecht is als je zomaar raak leeft, en nooit genoeg hebt; goed is als je maat kent, en tevreden wilt zijn.
En ten slotte: hardhandig leven brengt slechte vruchten voort, zachtmoedigheid goede.

Een boom, een mens herken je - zegt Jezus - aan zijn vruchten. Niet aan zijn kleur, niet of hij hoog of laag staat, of hij mooi of lelijk is, groot of klein.., nee, een mens herken je aan zijn vruchten. En soms zien we wel het rotte plekje bij een ander, en niet onze eigen rottigheid.