Leerling-zijn

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Het gaat over het leerling-zijn. ‘De leerling staat niet boven zijn leraar, maar hij zal ten volle gevormd zijn als hij gelijk is aan zijn leraar.' Dat kun je op verschillende manieren begrijpen. Een van die manieren is dat Jezus hier bedoelt te zeggen, wat zoveel geestelijke leiders ook zeggen. Een discipel vraagt: ‘Meester, de heilige geschriften zeggen dat een goeroe noodzakelijk is voor geestelijke vooruitgang. In hoeverre is dat waar?' Deze antwoordt: ‘Het is noodzakelijk in het begin. Daarna is het de leraar in jezelf die de rol van goeroe speelt. ‘ De leraar Jezus zegt hetzelfde, als hij belooft dat na zijn vertrek de heilige Geest hen alles zal doen weten.

Er is een goddelijke vonk in ons. Daar is voor de gelovige christen geen twijfel over. Dat betekent niet dat dus voor de rest alles goed zal gaan. We kennen allemaal verhalen over leerlingen die net zo machtig worden als hun leraar, maar die hun macht niet op de manier van hun leraar gebruiken. Een ervan is het verhaal over Simon de Tovenaar in de Handelingen van de apostelen. Hij wilde van de apostelen de macht om de heilige Geest door te geven kopen, niet om een gemeente op te bouwen, maar om er geld en eer mee op te strijken voor zichzelf.

Het kan ook op een nog grondigere manier helemaal verkeerd lopen. In het begin van 1989 hield een filosoof uit Rusland een inleiding voor een groep westerse vakgenoten. Hij had in Moskou de inleiding geschreven die hij van plan was uit te geven. Dat manuscript was zelfs aan de deelnemers toegestuurd. De middag dat we bij elkaar kwamen vertelde hij dat hij een nieuwe inleiding geschreven had. Hij kon zijn Moskou-versie niet meer gebruiken, zo zei hij, omdat hij in de tijd dat hij in het Westen geweest was nogal wat geleerd had. Hem was de vrijheid van de westerlingen opgevallen, maar vooral hun individuele onafhankelijkheid. Het was duidelijk dat hij daar eigenlijk niet goed raad mee wist. Hij vertelde ons dat hij meende dat dit alles herleid kon worden tot de westerse christelijke antropologie: ‘De westerse mens is iemand die zich bewust is een goddelijke vonk in zich te dragen.' Hij ging toen verder door uit te leggen dat dit geleid had tot de - nu geseculariseerde - westerse opvatting van individualiteit en van privacy. Inzichten die hij als zeer eenzijdig, en eigenlijk als decadent aanvoelde. De discussie die hierop volgde was beleefd maar fel. Hem werd verweten dat hij de persoonlijke vrijheid onderschatte, hij verweet ons dat we niet voldoende oog hadden voor de beperktheid van de individualistische mens en dat we daarom de sociale dimensies en verbindingen over het hoofd zagen. We verweten elkaar blindheid. We zagen bij elkaar waar de blinde vlek in het oog van de ander zat, en we zagen niet de balk in onze eigen ogen. We waren als blinden, die elkaar willen leiden. Eén ding werd duidelijk. Zelfs het vrome geloof in een goddelijke vonk in jezelf - op zich een geweldig iets - kan verkeerd aflopen. Dat geloof geeft je Christus' macht, maar het houdt niet zonder meer in datje dat vermogen ook op de manier van Jezus gebruikt.

Misschien is dat de reden dat Jezus soms op een dramatische manier dat spel leraar-leerling met ons speelt. Neem de keer dat hij hen - dat hij ons - de voeten wast. Als hij klaar is, zegt hij: ‘Begrijpt gij wat ik u gedaan heb? Gij spreekt mij aan als leraar en heer, en dat doet gij terecht, want dat ben ik. Maar als ik, de heer en leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen. Ik heb u een voorbeeld gegeven opdat gij zoudt doen zoals ik u gedaan heb.' En na de voetwassing zegt hij dat we ons brood en onze wijn in een zodanige solidariteit moeten eten en drinken dat we één lichaam vormen. Het onderscheid leraar-leerling valt dan in ons midden weg. Dat is zijn bedoeling.