Optocht (2001)

Het kan ons niet ontgaan zijn dat dezer dagen Carnaval gevierd wordt. Dat doen ze nergens op dezelfde manier. In onze streken is in elk geval de optocht toch wel zo'n beetje het hoogtepunt. Die optocht is anders dan bijvoorbeeld in Rio de Janeiro. Hier wordt de optocht vooral gebruikt om op een ludieke manier situaties en mensen op de korrel te nemen. Het heeft een vriendelijk karakter maar lang niet elke politicus, direkteur, baas of burger is daar zo blij mee.

Sommigen grijpen hun kans om die arrogante buurman te kijk te zetten of om hun lang ingehouden kritiek op echt of vermeend onrecht te luchten. Het is niet zo moeilijk om een of meer personen te vinden waar we een beetje of heel veel op aan te merken hebben. De slogans op de carnavalswagen geven de toelichting: " Dit is kamerlid de Kweter, die weet het altijd beter"; "Kom op dit bedrijf/op deze school/op deze werkplek eens kijken, ze gaan er over lijken". Meestal zijn de teksten wat onschuldiger, maar niet altijd, want wie heeft er geen kritiek en wil dat niet eens een keertje kwijt. Dat die kritiek vaak voorbij gaat aan de achtergronden, dat is helaas de onbarmhartige werkelijkheid.

Zo'n optocht biedt mogelijheden. Bijvoorbeeld om onszelf eens een keertje op zo'n wagen te zetten met een stekelige tekst erbij. Misschien weten we wel iets te verzinnen, wat onze eigen eigenaardigheden zijn, onze mankementen ook. Kijk desnoods in de spiegel en dan een stevige tekst erbij:" Hij heeft geen haar op zijn hoofd, natuurlijk, want op modder groeit ook niets". Of bij een volle haardos: "Jammer, maar op hersens groeien geen haren". Wat wij voor onszelf verzinnen zal waarschijnlijk milder zijn dan wat anderen voor ons verzinnen. De meeste mensen kennen hun eigen tekorten en wandaden wel. Het zou een heel aparte optocht worden, waarin de ontwerper van de carnavalswagen zichzelf op de korrel neemt. Het zou een spannende optocht worden. Toegegeven het is niet de gebruikelijke aanpak, maar het idee is origineel en staat nota bene in de evangelielezing van vandaag.

Er wordt ons aangeraden om die optocht te bekijken en daar komt in de verte onze wagen aan en dan maar hopen dat er geen laster over ons wordt uitgestrooid of ludieke beschuldigingen van dingen die we niet misdeden maar waar ons niet tegen kunnen verdedigen, want de lachers zijn niet op onze hand. Mogelijk staan er wat welwillende teksten bij, een woord van waardering misschien of anders dat we er de ruimte krijgen onszelf te zijn. Misschien heeft iemand wel iets goeds in ons ontdekt. Als we maar niet volledig de grond in worden geboord.

Wat wij daar langs de weg staan te hopen voor onszelf, dat hopen zo veel mensen elke dag weer, mensen uit de buurt hopen dat van mensen uit de buurt, collega's hopen dat van hun collega's, familieleden van elkaar: Dat ze verder mogen, niet te zwaar beoordeeld, onveroordeeld en liefst een beetje meer dan dat. U en ik en vele dorpsgenoten hopen straks, ondanks de fouten uit het verleden, ondanks de gemaakte grappen, verder te kunnen. Dat kan, want we weten dat iedereen fouten maakt en we weten ook dat ieder goed mens uit de voorraad van zijn goede hart het goede wel weer te voorschijn zal halen.

Wat wij hopen van anderen, dat mogen anderen toch ook hopen van ons.