De balk in eigen oog (Lc. 6,39-45)

 

Bij Lucas eindigt de vlakterede met een aantal uitspraken, die een plaats kunnen krijgen in boeken en recepten voor en over levenswijsheid. Ze lijken vrij algemeen. Een aantal gezegden zijn wijsheden, die ons doen beseffen waar we staan en hoe we best handelen. Ze handelen over het zien, over de weg die we gaan, over de vruchen die we voortbrengen, over het hart als de voedingsbodem van gedachten en gevoelens., over het leggen van stevige fundamenten bij de bouw van een huis.

Jezus richt zich met deze gezegden tot zijn toehoorders om hen te weg te tonen naar zijn rijk. Hij verwacht van hen een consequente houding, waarbij zij hun oog gericht houden op hem, die hun meester is.

Blinde leiders

Jezus had zware kritiek op leiders van gemeenschappen. Jezus heeft een aantal keren de Farizeeën en Schriftgeleerden op de vingers getikt, omdat ze anderen voorschrijven wat ze zelf niet onderhouden of aan belangen en voorschriften een gewicht geven waardoor het echte leven niet is gediend of waarbij ze proberen God naar hun hand te zetten. Hij heeft hen van blindheid beschuldigd.

Als zoon van een timmerman had Jezus ervaring met splinters en balken. Misschien heeft hij bij het schaaf- en timmerwerk de pijn van een splinter in het oog aangevoeld of er een verwijderd uit het oog van een compagnon. Wat hij vertelt, houdt verband met het leven van elke dag.

Lucas past ze toe op de christelijke gemeenschappen van zijn tijd. Lucas denkt bij het hernemen van de woorden van Jezus aan spanningen binnen zijn gemeenschappen.

Let op voor zelfgerechtigheid

Voor ons gelden deze woorden van Jezus als een gewetensonderzoek. Zijn we oprecht wanneer we beweren Jezus te volgen of zijn wij niet eerder huichelaars, die niet doen wat we zeggen en die andere beschuldigen en onze eigen tekorten en gebreken niet zien? Jezus waarschuwt ons voor zelfgerechtigheid.

Jezus wijst op het gevaar van blindheid, zeker wanneer we een verantwoordelijkheid hebben voor anderen. De ene heeft angst voor het duister, een andere voor het licht.

Zijn we de blinde die een andere blinde leidt? Het kan niet anders of beide vallen in een kuil, put of gracht. Pieter Brueghel heeft dit schoon of eerder tragisch uitgebeeld in een tafereel, dat hij schilderde in Sint Anna Pede en waarop hij het dorpskerkje afbeeldt. Overal en in alle tijden kunnen blinden blinden leiden en misleiden zodat ze samen struikelen.

We zien gemakkelijker andermans fouten. Wij vergeten dat wanneer we zelf veroordelen, andere op hun beurt ons aan het veroordelen zijn. Ken je zelf, leg je handen op je hoofd en kijk wie er onder staat. Veeg voor je eigen deur. Wat niet betekent dat de andere ons niet aangaat. Maar onze houding moet gaan in wederzijdse eerbied en in besef van eigen tekorten.

In deze coronatijden is er kritiek geweest op beslissingen van politici en virologen. Mensen hebben gepleit voor hun eigen gelijk. Waren we blind voor inzichten van anderen? Maakten we het onszelf niet te gemakkelijk met ons oordeel over politici die in moeilijke kwesties moeten beslissen?

De pijnlijke rapporten over misbruik in de kerk en elders brengen de blindheid aan het licht van verantwoordelijken. Waar staan we zelf wanneer we anderen de les spellen?

De geschiedenis brengt genoeg verhalen aan het licht van strijd en oorlog als gevolg van misleiding door leiders, verblind door nationalisme, door hebzucht, de wil om te overheersen.

Er is de blindheid van vedetten, die menen dat zij boven de wetten staan en dat ze meer mogen dan anderen. We lezen over ergernis nopens Djokovic en feestjes van politici in coronatijden.

Goede vruchten aan de boom

Jezus pleit er voor dat wij allen goede vruchten voortbrengen. Dit gebeurt niet van zelf, daarvoor moeten we een goede boom zijn, geplant op goede grond en gevoed door stevig sap. Hij laat ons hiermee verstaat dat wij hiervoor met hem moeten verbonden zijn en ons richten op zijn Vader. Meteen laat hij ons horen welke zijn lievelingsvruchten zijn, vijgen en druiven. Zij behoren tot de vruchten die de verkenners meebrachten uit het beloofde land (Num. 13,23: Deut., 8,7-9).

Maar zijn de startkansen wel dezelfde voor iedereen? “Het ene kind wordt geboren in een gouden wieg. Het andere in een schimmelige hut.” Zo oneerlijk begint het leven voor en kind dat ter wereld komt met een waterhoofdje (Een kreet van Child help). Hoe blind zijn we voor noden in de wereld?

Zorg voor het hart

Jezus pleit voor de zorg van het hart, want figuurlijk gesproken ligt daar onze schat, daar is de oorsprong van onze gezindheid, van onze gedachten en gevoelens.

Let op uw gedachten, want ze worden woorden.

Let op uw woorden, want ze worden daden.

Let op uw handelingen, want ze worden gewoontes.

Let op uw gewoontes, want ze worden uw karakter.

Let op uw karakter, want het wordt uw lot. (Uit de Talmoed).

F. Bovon besluit zijn bespreking van de vlakterede bij Lucas met deze zin:

“Elke gelovige staat voor een keuze. De woorden van Jezus helpen de gelovige man en vrouw om de goede weg te kiezen met kennis van zaken. Zij geven hen de kracht om goed te handelen tegenover hun Heer en Meester, tegenover hen broers en zusters. De praktijk zal uitwijzen wie deze gelovigen zijn. Hun goedheid, hun grondige edelmoedigheid, gevoed door de welwillendheid van hun Schepper en Redder, ontspringt aan het diepste van hun persoonlijkheid, daar waar hun bekering heeft plaats gevonden. Hoe sterker het geloof hun hart geraakt heeft, des te kordater zal hun gedrag zijn als christen”

« Chaque croyant, chaque croyante est placé (e) devant un choix. Les paroles de Jésus sont là pour les aider à choisir le bon chemin en connaissance de cause et leur donner la force de bien agir : envers leur Seigneur et Maître, envers les frères et les sœurs. Seule la pratique révèlera qui sont ces croyants. Leur bonté, leur générosité foncière, nourrie par la bienveillance de leur Créateur et Sauveur, jaillit du plus profond de leur personnalité, de cet endroit où la conversion a eu lieu. Plus la foi a régénéré leur cœur, plus résolue sera leur conduite chrétienne » (F. Bovon, L’évangile selon Saint Luc I, p. 335).