Tijd door het jaar (C)

In beide Bijbellezingen wordt vandaag afgerekend met het zogeheten 'vijanddenken'. Dat is: anderen al heel vlug zien als mogelijke vijanden, en je gedrag daarop afstemmen. Aan wie dat doet, en dus ook aan mij, vraagt Jezus het bijna onmogelijke, waar Hij zegt: 'Bemin uw vijanden!'.

David geeft ons vandaag het goede voorbeeld. Terwijl Saul David tot zijn vijand heeft verklaard, beantwoordt David dat met barmhartigheid. Hij kan koning Saul met gelijke munt terugbetalen - en zijn manschappen willen dat ook -, maar hij doet dat niet. Hij pakt het anders aan. Niet met geweld, maar wel geweldig: door het weghalen bij de slapende Saul van diens waterkruik en lans laat hij zien dat hij het leven van de koning in handen heeft gehad. Door ze terug te geven laat David zien dat hij Sauls leven wilde sparen.

'Wie goed doet, goed ontmoet'. Misschien zouden we ook mogen zeggen: 'Wie goed doet, God ontmoet'. Dat is wat Jezus zijn volgelingen, die vele vijanden hadden onder de gelovige joden, wilde duidelijk maken: nooit met gelijke munt terugbetalen. Niet vergelden, wel vergeven. Dat lijkt strijdig met wat wij vinden en voelen, want we slaan graag terug, en als het kan net even harder. We kunnen maar moeilijk vergeven, want het recht, vinden we, moet zijn loop hebben. Maar zo denkend en zo doende worden we van slachtoffers tot daders. En waartoe zulke vergeldingsgedachten leiden, laat ons het journaal bijna dagelijks zien. De vergeldingsgedachte is een moordend principe, dat alleen maar ellende oplevert.

Een van de meest opmerkelijke dingen van Jezus, die jonge rabbi uit Nazaret, vond me - in de joodse samenleving en in het denken van toen - dat Hij vergeving vroeg in plaats van vergelding. Waar haalde Hij de moed vandaan, vond men, om mensen die alleen maat straf verdienden, te vergeven, en hun nieuwe kansen te bieden zonder dat ze geboet hadden voor hun fouten. Dat was ongehoord: mensen vergeven. Dat kon immers God alleen. 'Bemin uw vijanden' was dan ook veel te veel gevraagd.

Maar toch spoorde Hij hen aan, en spoort Hij ons aan, meer te doen dan het gewone, meer dan wat gewoonte is. Hij vraagt van ons vergeving en barmhartigheid, twee van zijn goddelijke eigenaardigheden, die Hij liet zien in zijn omgang met mensen wie men niet wilde of meende te kunnen vergeven: ongelovig volk uit Samaria, tollenaars, vrouwen van de straat, onreine melaatsen, heidenen. Telkens wanneer Hij iemand uit die kringen ontmoet, en hem of haar onvoorwaardelijk vergeeft, horen we hoe zij er andere mensen van worden, betere mensen, nieuw!

Zo is het nog altijd: vergelding brengt alleen maar meer ellende; vergeving maakt mensen nieuw, en de wereld een stukje beter. En dus moeten we het maar opnieuw gaan proberen: barmhartig zijn zoals de hemelse Vader barmhartig is, en dus onze vijanden vergeven. Goed doen in plaats van kwaad met kwaad te vergelden. Dat lijkt dwaas, maar soms is een beetje zot zijn - leren we van Jezus - helemaal zo gek niet.