6° Zondag jaar C (2010)

Geen kwaad woord over Carnaval. Wel haal ik, met het oog op de tijd daarna, een tekst aan van een van Nederlands grootste schrijvers en denkers: Johan Huizinga.(1874-1945 Een van zijn boeken heet: Homo Ludens, De spelende Mens. In 1928 schreef hij n.a.v. de opkomst van massa amusement en de aanbidding van technologie: "Gedrag dat zich uit in de behoefte aan banale verstrooiing, sensatie en massavertoon, onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden, mateloze overdrijving, illusies en ontbreken van gevoel voor humor."
Nu naar de lezingen die vandaag in de kerk worden voorgelezen uit de profeet Jeremia en uit het Evangelie van Lucas.
"Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt, en zich afkeert van de Heer. Hij is een kale struik in de steppe, nooit ziet hij regen." En: het tegenovergestelde: :Gezegend is hij die op de Heer vertrouwt en zich veilig weet bij hem. Hij is als een boom die aan een rivier staat en wortels heeft tot in het water."Aldus Jeremia. Mogen wij niet eerder dit zeggen: Iemand die op mensen vertrouwt, keert zich niet af van de Heer, ook al gelooft hij niet in God. God is een draad die overal in ons weefsel zit. Los heb je er niets aan. Het goddelijke komt bij iedereen binnen als levengevende adem. Als je op mensen vertrouwt, dan ademt God mee, dan werk je aan een sterk en mooi weefsel. Op iemand vertrouwen, op iemand bouwen, dat is nu juist vertrouwen op de Heer, alleen zo kun je je veilig voelen. Als je iets met God wilt, zoals: op God vertrouwen, je bij God veilig voelen, dan kun je dat alleen waarmaken in je omgang met je medemensen. Anders ben je bezig in het luchtledige en daar tref je God niet.
En in het Evangelie hoorden we: "Zalig gij die nu honger lijdt, want gij zult verzadigd worden. Zalig die nu weent, want gij zult lachen." En: "Wee u, die nu verzadigd zijt, want gij zult honger lijden. Wee u, die nu lacht, want ge zult klagen en wenen."
Dat zijn teksten die het heel goed deden in tijden dat het leven, kort, hard en dikwijls wreed was. In die tijd waren zulke woorden de schrale troost die de gelovigen opvingen in de kerk. Dat waren ook de tijden dat van iemand die heel oud werd, gezegd werd: "Hij of zij bereikte een gezegende leeftijd." Oud worden werd toen gezien als een geschenk. Nu niet meer. Nu heet het vergrijzing. Oud worden is een groot probleem geworden dat heel veel geld gaat kosten. Het gaat niet meer om mensen, die oud worden. In dat perspectief hebben we nog weinig vertrouwen in mensen die oud zijn: zij zijn in onze tijd niet langer een zegen. Ooit gaven de woorden die Lucas Jezus in de mond legde, een beeld van het Rijk Gods.  Zouden wij in onze tijd dat Rijk Gods niet mogen verstaan als de eerbiedige omschrijving van wat we de kosmos noemen? Dat geordend geheel waar wij samen met alles dat bestaat ongemerkt deelgenoten van zijn, één groot WIJ, een Nieuwe Wereld, die zich in haar evolutie heel subtiel en geleidelijk blijft ontwikkelen tot iets hogers en beters.
Dan mogen we die woorden van Jeremia en Lucas laten voor wat ze zijn, en ons bezielen met de eeuwenoude Gulden Regel, die de evangelist Matteüs aanhaalt: "Wat gij wilt dat anderen aan u doen, doe dat ook aan hen." En hij voegt daar kort en krachtig aan toe: "Dát is de Wet en de Profeten."