Gelukkig, jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God (2007)

Heeft Jezus deze zaligsprekingen in de tweede of in de derde persoon uitgesproken? Misschien lijkt dat op het eerste zicht een pietluttige vraag, en toch durf ik ze stellen. Het lijkt me een groot verschil of ik zeg: ‘gelukkig zijn de armen, gelukkig wie honger hebben, gelukkig de treurenden’ dan dat ik zeg ’gelukkig, jullie armen’ of nog krachtiger zoals Chouraqui vertaalt ‘En marche, les humiliés. Oui, il est à vous le royaume d’Elohim’. In het eerste geval noem ik een aantal situaties op en wijs op het belang voor hen aandacht te hebben. In het tweede geval moet dit als een krachtige, bijna opruiende taal geklonken hebben voor wie daar zat te luisteren..

Natuurlijk toen Jezus zijn toespraak hield zat er geen reporter in de groep die zijn woorden letterlijk kon opnemen en dus weten we nooit wat Hij precies heeft gezegd. Matteüs verwoordt de zaligsprekingen in de derde persoon, Lucas in de tweede. Het is daarbij goed om weten dat Lucas zijn evangelie voor bekeerlingen uit een Grieks milieu schreef en dat er in die groep grote maatschappelijke verschillen waren. Steenrijke en straatarme lieden zaten op zondag in eenzelfde ruimte te luisteren naar het Woord en braken het brood van de Heer met elkaar. Binnen die context moeten de woorden van Jezus striemend zijn aangekomen. Je zou het evangelie van Lucas daarom het rode evangelie kunnen noemen, want op veel plaatsen hanteert Lucas zijn bronnen om de situatie arm – rijk extra in de verf te zetten. De vraag daarbij is hoe voortaan die leerling wel moet leven?  Lucas beschrijft daarom deze toespraak alsof Jezus vooraan in de samenkomst van deze christengemeente zit. (cfr. Y. Saout, "Retard du retour de Jésus et éthique lucanienne". In : M. Quesnel et P. Grusson, La Bible et sa culture, II Jesus et le Nouveau Testament. DDB 1998, p. 389 e.v.)

Allereerst valt op hoe Lucas in tegenstelling tot  de andere evangelisten niet spreekt over later maar over nu.

Gelukkig, jullie armen, nu reeds is het koninkrijk van God voor u. Elders zegt Jezus: “wie mijn volgeling wil zijn moet elke dag zijn kruis opnemen (9,23)”. In zijn formulering van het Onze Vader staat: “geef ons dag na dag te eten”. Anders gezegd: volgens Lucas moet de leerling van Jezus hier en nu kunnen leven, moet hij de uitdagingen van de tijd niet ontwijken maar durven op te nemen. We weten dat Lucas zijn evangelie rond de jaren 80-85 schreef in een periode dat de christenen overal werden vervolgd. Daarom spoort hij hen aan niet uit te zien naar het einde van de tijd, maar hier en nu die als een uitdaging op te nemen. Daarmee hebben we iets heel typisch vast in dit evangelie en hoe Lucas een leerling typeert. In diepe sociale bewogenheid beschrijft Lucas wat hier en nu gebeurt en naar de toekomst staat te gebeuren. Het gaat om de waardigheid van wie arm zijn en om een herverdeling van alle goederen. Daarom werd de boodschap van de geboorte aan herders gebracht en niet aan magiërs, en daarom prijst Jezus de weduwe die twee penningen in de offerkist werpt. ‘Armen geeft Hij overvloed en rijken gaan weg met lege handen’ staat in het Magnificat. Jezus prijst zijn leerlingen die arm zijn, honger hebben, treuren en vervolgd worden, of uitgestoten uit maatschappelijke of religieuze samenkomsten. Want God kijkt anders naar de mens en dit anders kijken van God moet een eerste aanzet zijn opdat wij anders met elkaar zouden omgaan. Het woord ‘gelukkig’ betekent hier dus: je kunt eruit geraken. Zoiets al wij zeggen: daar had ik even geluk. Het feit dat God anders naar deze wereld kijkt, moet ons kracht geven om ons op te richten en tegen de situatie in te durven gaan.

Wat Jezus bedoelt zou ik nog op een andere manier willen verhelderen door zijn visie over armoede te vergelijken met die van de Griekse en Romeinse filosofen. Zo schrijft Seneca  in een brief aan zijn leerling Lucilius:

“Je wil je bezig houden met je ziel: wees arm of leef in armoede. De studie van de wijsheid brengt geen heilzaam effect teweeg zonder de praktijk van de soberheid. Soberheid is daarom een vrijwillige armoede.” (II, 17, 5-10)

Armoede dient hier om een innerlijke vrijheid te bereiken. Zo niet voor Jezus en Lucas. Voor hen is armoede een onrecht en een appèl.
Hoe zal het dan de rijke vergaan? Voor hen vertelt Jezus de parabel van de man wiens akkers veel had opgebracht. In plaats van te denken aan zijn medemensen ging hij groter schuren bouwen en was hij bezig met alles te beveiligen. Helaas stierf hij die nacht, zegt Jezus. De rijke moet daarom niet alleen tot onthechting komen, maar zijn rijkdom willen delen. “Wie twee mantels heeft moet er een weggeven aan wie er geen heeft.” (3,10-14)

In de parabel van de barmhartige Samaritaan gaat het om een rijke, die door medelijden is bewogen om wie gekwetst en verlaten aan de kant ligt. Maar als het om bezit gaat, spreekt Jezus een andere taal. Zo schrijft Lucas:

“Verkoop je bezittingen en geef aalmoezen. Maak voor jezelf een geldbuidel die niet verslijt, een schat in de hemel die niet opraakt, waar een dief niet bij kan en die door geen mot kan worden aangevreten. Waar jullie schat is, daar zal ook jullie hart zijn.” (12,33-34)

Want uiteindelijk gaat het hierom dat arme en rijke, beiden, durven vertrouwen op God en hun leven in zijn handen durven leggen. Dat is de uiteindelijke bevrijding , de zorgeloosheid die zich van de mens meester zal maken en de vrijheid van de kinderen Gods. Zo beschrijft Lucas in de Handelingen hoe de eerste christenen leefden na de dood van Jezus:

“Ze bleven trouw aan het onderricht van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed… ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden.” (Hand. 2,42.45)

Voor de Griekse bekeerlingen was dit niet zo nieuw. Zij kenden de idee van een gouden tijdperk als een soort van oertijd toen de mensen nog geen belang hechtten aan bezit. En ze wisten van Pythagoras die met zijn leerlingen op deze manier had proberen te leven. Men kende de gemeenschap van Qumran en de groep rond Filo van Alexandrië. En toch gaat het hier om een nieuw gevoel waarbij de mens tot innerlijke vrijheid komt door zich toe te vertrouwen aan God.

Zo moet ook het vervolg van deze vlakterede begrepen worden. Jezus spoort zijn leerlingen aan om te streven naar sociale rechtvaardigheid, maar dit is slechts een eerste aanzet om te komen tot de kern van zijn boodschap. Die is een onvoorwaardelijke liefde: liefde voor zijn vijand, eenzelfde liefde voor de ander zoals je hoopt dat die je zal behandelen, komen tot een diepe houding van vergeving en betrokkenheid. Slechts zo komt de echte vrede van God in ons hart.