6e zondag door het jaar C - 2007

Zuster en broeders,

We hadden thuis een klein boerderijtje, dus kwam er nu en dan een veehandelaar bij ons over de vloer. Ik zal nooit vergeten hoe het er bij zo’n verkoop aan toeging. Er werd geboden en tegengeboden, en bij elk nieuw bod stak de koopman zijn hand uit en zei tegen mijn vader: ‘Allee Fons, klop er dan op.’ Mijn vader moest met zijn vlakke hand op de hand van de handelaar slaan en zelf zijn hand uitsteken. Daar sloeg dan de handelaar op. Daarna moest mijn vader opnieuw op de hand van de handelaar slaan, en daarmee was de verkoop gesloten. Na drie keer wederzijds handkloppen werd er een druppel gedronken op de goede koop en verkoop.

Wat ik vertel is een scène uit de jaren vijftig, toen geld nog iets was wat je moest hebben om te kunnen overleven. Zo’n verkoop was dus geen habbekrats, het was een levenskwestie, en toch heb ik daar nooit papieren of contracten bij gezien. Dat handkloppen was het contract, niets anders, en dat zat er zo diep in dat het me niet zou verbazen als het vandaag nog altijd bestond. Zo’n verkoop steunde dus op niets anders dan op vertrouwen tussen koper en verkoper.

Vandaag zegt Jeremia in de eerste lezing: ‘Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt en zich afkeert van God’, en hij legt die woorden in de mond van God zelf. Welnu, ik heb het daar heel moeilijk mee. Iemand vervloeken is heel erg en niet christelijk. En het vertrouwen tussen mensen vervloeken, dat kan er bij mij helemaal niet in. Ik weet het, ik ben geen grote profeet zoals Jeremia, en toch zeg ik: Hier ga ik niet mee met die grote profeet, integendeel. Immers, ons hele leven is gebaseerd op vertrouwen. Vertrouwen op onszelf, op onze partner en op andere mensen. Niet voor niets is ‘trouwen’ het woord waarmee we de traditionele relatie tussen man en vrouw benoemen, en wat is trouwen anders dan vertrouwen? En waarop steunt de relatie tussen ouders en kinderen? Baby’s voelen zich veilig in de armen van hun vader en moeder, ze hebben niet de minste angst dat die hen zullen laten vallen. Oudere kinderen vertrouwen erop dat hun ouders voor hen zullen zorgen. Van hun kant vertrouwen ouders erop dat hun kinderen geen domme dingen zullen doen, dat ze voorzichtig zullen zijn, en ga zo maar door. Of neem de school: als ouders, leerkrachten en kinderen elkaar niet vertrouwen, dan kan de school haar deuren sluiten. Of neem gelijk welke handeling die we elke dag stellen. Rijden we met de auto, dan vertrouwen we niet alleen op de techniek van onze wagen, maar meer nog op de andere chauffeurs: dat die rechts van de weg zullen rijden, zullen stoppen voor een rood licht, niet tegen ons zullen aanbotsen. Gaan we naar de winkel of het warenhuis, dan vertrouwen we erop dat de producten die we kopen beantwoorden aan de verwachtingen. Als we brood kopen, zullen ze ons toch geen stenen verkopen zeker, en als we een nieuwe tv kopen, zullen ze ons toch geen rommel verkopen zeker.

Ik zou eindeloos kunnen doorgaan met zulke voorbeelden die aantonen dat vertrouwen het fundament is van onze samenleving: mensen die op mensen vertrouwen, en die dat ook mogen en kunnen doen. Niet de berg papieren en niet de berg contracten waaronder we tegenwoordig dreigen te verstikken, wel wederzijds vertrouwen vormt de basis van ons menselijk samenleven.

‘Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt’, aldus Jeremia, en nog eens, hij legt die woorden in de mond van God zelf. En opnieuw zeg ik: Ik geloof er niets van. Ik geloof nooit dat God de mens, die Hij zelf heeft geschapen, zou vervloeken om het vertrouwen dat die mens aan andere mensen geeft, zelfs al keert die mens zich van Hem af. Immers, God zelf geeft de mens het grootst denkbare vertrouwen. Al van bij het begin geeft Hij hem de schepping in bruikleen. ‘Ga en vermenigvuldig u’, zegt Hij, en daarmee laat Hij zijn eigen scheppingswerk zonder meer over aan de mens. Zolang er dus ook maar één kind geboren wordt, zolang heeft God vertrouwen in de mens. Ik zie het nog niet direct gebeuren dat er geen kinderen meer geboren worden. En God zegt ook: ‘Maak de aarde vruchtbaar’, en de mens kneedt en vormt de aarde naar zijn eigen hand. Hij doet dat niet altijd met even veel overleg en met even veel zorg, maar blijkbaar blijft God de mens toch vertrouwen, anders was de wereld al lang vergaan. Gods vertrouwen in de mens was en is zo sterk dat Hij zijn eigen Zoon aan ons heeft gegeven om ons goede wegen aan te wijzen. Wegen om met elkaar om te gaan in liefde, vrede en gerechtigheid. In vertrouwen dus. Vertrouwen dat Jezus ook gaf toen Hij terugkeerde naar de Vader. Hij liet de verkondiging en het verdere uitbouwen van die goede wegen over aan mensen, en van Petrus, die Hem nochtans zwaar verraden had, maakte Hij zelfs de rots waarop Hij zijn Kerk zou bouwen.

Misschien zeg je nu: Maar in het evangelie van vandaag is Jezus zelf toch ook niet positief over de mens. Hij zegt toch: ‘Wee u, rijken, en wee u die al verzadigd zijt, en wee u die lacht en wee u wanneer alle mensen met lof over u spreken.’ Jezus zegt dat inderdaad, maar je ziet waar het op aankomt: Hij spreekt die ‘wee-woorden’ uit over mensen die alléén maar op zichzelf vertrouwen, over mensen die alléén maar voor zichzelf leven, over mensen voor wie andere mensen en dus ook het vertrouwen in andere mensen helemaal geen punt is. En Hij spreekt die woorden ook uit over mensen die God negeren, die doen of de wereld van hen is, en het doel zelf van het bestaan. Jezus vervloekt trouwens helemaal niet, Hij waarschuwt.

Zusters en broeders, niet vervloekt, wel gezegend is hij die mensen, die Gods eigen evenbeeld zijn, vertrouwt. Dat heeft God, dat heeft Jezus ook gedaan. Wie vertrouwen geeft aan mensen, doet zoals God en Jezus. Maar laat ons vertrouwen verder reiken dan mensen: laat het zijn steunpunt vinden in en bij God. Laten we dat dus doen: ons vertrouwen op en in elkaar vastankeren in God, en laten we zelf betrouwbaar zijn, even betrouwbaar als God die ons geschapen heeft. Amen.

Download deze preek in Microsoft Word formaat