5e zondag door het jaar C

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Jezus "thans" is niet ons nu. "Vol genade" mogen zijn woorden zijn, als wij ze moeten overnemen, blijven ze in onze keel steken. Wij zijn de armen, over ons moet de genade komen, voor ons is het genadejaar, voor ons Gods mogelijke wonderbare tussenkomsten. Maar "weg met Hem", als Hij bekering preekt. Het "Rijk Gods" mag komen zonder onze bekering. Wij moeten krijgen. Wij zijn arm genoeg. Dat Hij zelf aan zijn andere armen preekt. De Joden willen Jezus kwijt. Hij moet weg uit hun midden. Ze herhalen de woorden van de boze geesten: "Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God"? Ze willen Hem uit de weg ruimen. De spanning in de synagoge van Nazaret zal aanhouden tot in Jeruzalem en tot op heden in Kerk en wereld.

Zo mogelijk nog groter wordt de spanning, nog dieper snijdt de ergernis ons hart als Jezus anderen bij zijn werk betrekt, als Hij Apostelen roept, die ons hetzelfde prediken terwijl wij werkelijk hun fouten en zonden zien, waar dat bij Jezus niet het geval was. Jezus was al een ergernis, de Kerk ergert ons nog veel meer. Vandaag schrijft Lucas over de roeping van die Apostelen die ons blijvend zullen ergeren.

Lucas spreekt node over die ergernis. Hij kan er niet buiten, maar hij legt er niet de nadruk op. Hij is, zoals velen, overrompeld door de Christus, maar in zijn verhaal blijft hij wie hij is: een zachte, nuchtere en blijde verkondiger. Jezus gaat in Nazaret tussen de mensen door. De spanning is geschapen, maar het conflict wordt niet aangescherpt. Jezus gaat verder zijn weg. De Blijde Boodschap wordt verder verkondigd, in de kracht en de vreugde van de Heilige Geest. Het Rijk Gods is voor Lucas het "genadejaar". Jezus' woorden zijn "vol genade". Genade en goedheid zijn Lucas' accenten.

Ook als mensen geroepen worden om met Jezus mee te werken in de Kerk, gaat het om goedheid en genade. De roeping overvalt hen, zo sterk, dat ze alles achterlaten om Jezus blijde te volgen. Ze gaan hun weg met Hem, zoals Hijzelf zijn weg gaat tussen zijn belagers. De genade is sterker dan alle tegenstand. Ze baant zich haar weg met een soort zacht geweld, van Nazaret tot Jeruzalem en "tot aan de uiteinden der aarde". Wanneer Jezus zijn genadejaar afkondigt, laat Nazaret zich niet overtuigen. Tussen de regels moeten we lezen dat zij niets willen verlaten. Over de eerste Apostelen lezen we een weinig verder, in het Evangelie van vandaag: "Ze brachten de boten aan land en lieten alles achter om Hem te volgen". De woorden van genade en goedheid hadden Nazaret tot niets overgehaald. Petrus en de zonen van Zebedeüs laten zich wél overhalen. Het verschil ligt er niet in dat zij van een wonder getuige zijn en dat Nazaret alleen van de wonderen hoort die elders geschied zijn. Ze hadden het gemakkelijk kunnen achterhalen wat er van die wonderen waar was. Het verschil ligt erin dat zij geen wonderen in hun leven wensen. De wonderen zijn maar de tekenen van Gods genade en goedheid. Ze zelf zien of ze kennen van horen zeggen maakt geen verschil uit. Intreden of niet in de logica van Gods genade en goedheid, dát maakt het verschil uit. Nazaret verwacht van Gods goedheid dat het rijker wordt. Ze willen meer op aarde. Dat is voor hen messianisme. De hemelen moeten voor hen niet geopend worden, en zo blijven hun harten gesloten. Ze zijn als vele jongeren die de roepstem horen in hun hart maar die er niet naar luisteren. Ze willen het goed hebben en daarmee uit. Wonderen zullen ze nooit meer zien, ze zullen nooit geloven in die waarvan ze horen, ze zullen nooit hun zonde bekennen, nooit iets achterlaten, altijd half bevreesd hun schatten meeslepen en nooit de vreugde kennen van hen die Hem volgen. In de netten die ze niet kunnen verlaten zullen ze heel hun leven verstrikt blijven.