5e zondag door het jaar C (2013)

Een poosje geleden las ik een artikel over een reuzenkrokodil die gevangen moest worden. Dat was nogal een operatie. Het beest werd niet gevangen om te worden verwerkt tot voorwerpen van krokodillenleer, maar om weer vrij te worden gelaten in een reservaat. Het was juist om te voorkomen dat jagers hem vingen en voor veel geld zouden verkopen. Vangen om te redden en gevangen worden om gered te worden. Daar moest ik aan denken bij de woorden van Jezus: “Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen.”

Petrus en sommige andere apostelen waren beroepsvissers. Er waren andere beroepen bij, de tollenaar Levi, de econoom Judas, terwijl Jezus zelf de zoon van een timmerman was en ook zelf timmerman genoemd werd. Het was heel gewoon dat een tempelofferaar, een schriftgeleerde, een leviet, een Farizeeër of oudste een beroep had om in zijn levensonderhoud te voorzien. Van Paulus weten we dat hij van beroep tentenmaker was. Wanneer u dus als vrijwilliger, naast uw beroep tijd geeft aan Christus en zijn Kerk, dan bent u in goed gezelschap, zo is het altijd gegaan. Toch is Jezus ook voorstander geweest dat mensen zich helemaal vrij maakten voor de verkondiging van het Evangelie en voor het dienstwerk in de Kerk. Hij zegt daarover: “De arbeider is zijn loon waard”. Iemand die heel zijn leven in dienst stelt van het werk voor de Kerk is zijn levensonderhoud waard. Beiden zien we vanaf het begin in de Kerk. Dat zien we ook in de levensstaat terug. Paulus pleit in navolging van Jezus voor het celibaat, als de ultieme uiting van vrijheid voor het Rijk van God en als teken dat je hier en nu al kunt leven in Gods Koninkrijk. Tegelijk weten we dat hij naast zijn verkondiging ook doorging als tentenmaker en zelf zijn boterham verdiende. Het lijkt me niet vreemd als dat in de toekomst soms weer het gewone patroon wordt. Priesters en diakens die behalve hun gewijde ambt een beroep hebben om hun boterham te verdienen.

Er gebeurt weer veel in het Evangelie vandaag. Een massa mensen op de been, zoveel dat Jezus vanuit het bootje verder preekt. Dan die wonderbare vis vangt terwijl de beroepsvissers de hele nacht niets gevangen hebben. Petrus die zich bewust wordt van zijn zondigheid tegenover de heiligheid van Jezus. De uitnodiging van Jezus en de vissers die hun boten achterlaten en Hem volgen.

Bij een Evangelie als dit, is het de kunst om in gedachten zelf in die boot te gaan zitten en dat hele gebeuren mee te maken. Dan zie je al snel de overeenkomst van al die mensen aan het strand en al die vissen in dat net. Voor Petrus en de andere vissers was het geen vraag wat Hij bedoelde met de opmerking: “... voortaan zult ge mensen vangen.”

Jezus wil mensen samenbrengen in het Koninkrijk van zijn Vader. Maar wat is dat Koninkrijk? Is dat dan een soort reservaat voor mensen? Net als voor die dieren die gevangen worden om veilig te worden uitgezet? Is dat een Paradijs waar je de deur achter je dichttrekt om die boze buitenwereld achter je te laten?

Wat dachten de leerlingen toen ze achter Jezus aangingen? Ik vrees dat ze allemaal een ander idee hadden. Petrus dacht aan een koninkrijk waar het lijden en de tegenslag waren uitgebannen. Hij kon het niet hebben toen Jezus zei dat de Mensenzoon moest lijden en sterven. Judas dacht misschien aan een regering waarin hij een soort minister van financiën zou worden, met een goede positie. Iedere leerling heeft wel zo zijn eigen gedachten gehad. En dat is nog steeds niet anders. Mensen hebben hun eigen gedachten over God, over Jezus, over Gods Koninkrijk en over hoe het er moet komen.

Ook jonge mensen hebben dat, onze jongeren. Maar de jongen die deze week dood gevonden is. Wat waren zijn dromen? Waar zag hij naar uit? Op Facebook lees je dat hij op de lagere school herhaaldelijk gepest is. Van mensen die hem gekend hebben, hoor je dat het een ontzettend aardige knul was die droomde van een betere wereld.

Jezus moest zijn leerlingen die allemaal zo verschillend waren en ook wel eens ruzie hadden, samenbrengen en leren zo met elkaar om te gaan dat Gods Koninkrijk hier en nu al zichtbaar wordt. Want Gods Koninkrijk is geen reservaat, geen klooster waar je de deur dichttrekt en dan in het Paradijs bent, maar ook geen Rijk Westers land waarvan je de grenzen sluit om je eigen welvaart veilig te stellen. Welvaart en Gods Koninkrijk lijken elkaar soms zelfs uit te sluiten. Wanneer wij het voor elkaar hebben en alles hebben wat we maar kunnen bedenken, merken we na een poosje dat Gods Koninkrijk weg is. Misschien was deze jongen in zijn hart wel dichter bij Gods Koninkrijk dan veel andere jongeren die niets met hem te maken wilde hebben en erger.

Deze geschiedenis van de vissers die mensenvissers worden roept een vraag op aan ons. Wie zijn wij? Zij wij de vissen? Laten we ons dan vangen door Jezus die zijn Woord tot ons spreekt? En als we ons laten vangen, zijn we dan op onze beurt bereid ook zelf een mensenvisser te worden. Ja, dan moet dat zichtbaar worden in onze keuzes, in wat we doen en niet meer doen. Dan gaan we die weg met Hem, door onszelf te overwinnen met zijn hulp. Dan worden we en blijven we leerlingen van die ene Meester, Jezus die ons gaandeweg binnen brengt in Gods Koninkrijk. Amen.