5e zondag door het jaar C - 2013

‘Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens.’ 

Zusters en broeders, het is de eerste keer dat we Simon Petrus ontmoeten in het evangelie volgens Lucas, en meteen slaat hij nagels met koppen: hij noemt zichzelf een zondig mens, dus kan Jezus best weggaan van hem, want er is niets met hem aan te vangen. 

Zijn woorden doen sterk denken aan die van Jesaja in de eerste lezing. Die vindt zichzelf verloren omdat hij de Heer der hemelse machten heeft gezien, terwijl hij een mens met onreine lippen is, die leeft in een volk met onreine lippen. Met andere woorden, hij neemt het niet zo nauw met het woord van God, en zijn volk leeft meer naast dan in het geloof. Misschien is het zelfs eerder ongelovig dan gelovig. ‘Wee mij,’ zegt Jesaja, ‘ik verdien niets goeds.’ Maar wat zien we? Een engel zuivert zijn lippen, en zegt dat zijn zonden vergeven zijn. En met zijn gezuiverde lippen zal hij alleen nog het woord van God verkondigen. 

En Simon Petrus? Waarom vindt hij zichzelf een zondig mens? Hij kent Jezus nog niet zo lang. Jezus geeft pas sinds kort onderricht in de synagogen van Galilea. Hij heeft dat ook in Nazareth gedaan, de stad waar Hij als jongere heeft geleefd. Vorige week hebben we gehoord dat dit niet is meegevallen, want zijn stadsgenoten weigeren te geloven dat Hij, de zoon van Jozef, een door God gezalfde profeet kan zijn. Dus verlaat Hij Nazareth en vestigt zich in Kafarnaüm. Ook hier geeft Hij onderricht in de synagoge, en iedereen is diep onder de indruk, ‘want Hij sprak met gezag’, zeggen ze. Hij geneest er iemand die bezeten is door een slechte geest, en dat maakt nog een diepere indruk op de mensen, want ze vragen zich af waar Hij die macht haalt. Het nieuws verspreidt zich in heel de streek. Jezus wordt nog bekender wanneer Hij de schoonmoeder van Simon Petrus van zware koorts geneest. Dat heeft tot gevolg dat veel mensen hun zieken naar Hem toebrengen, en die geneest Hij ook. 

Het is duidelijk dat de inwoners van Kafarnaüm naar Jezus opzien. Het is dus niet verwonderlijk dat ze naar zijn woorden willen luisteren, ook als Hij zich aan de oever van het meer bevindt. Er zijn zelfs zoveel toehoorders dat Hij daar nog nauwelijks plaats vindt. Daarom laat Hij zich door Simon even van wal brengen in zijn vissersboot, zodat Hij op zijn gemak verder onderricht kan geven. Nadien wil Hij Petrus vis laten ophalen, maar die gelooft niet dat er iets te vangen is. Toch zal hij zijn netten uitgooien omdat Jezus het zegt. En tot zijn stomme verbazing haalt hij een grote massa vis boven. Hij voelt zich daar niet goed bij, en omdat hij Jezus heeft tegengesproken, noemt hij zich een zondig mens en vraagt hij dat Jezus weg zou gaan van hem. Eigenlijk is zijn reactie goed te begrijpen. Voordien heeft hij kennis gemaakt met Jezus’ gezag, hij heeft gezien hoe Jezus slechte geesten uitdrijft en zieken geneest, zelfs zijn eigen schoonmoeder. Hij kan dus weten dat Jezus over gaven beschikt, en toch spreekt hij Hem tegen, want wat zou Jezus nu van vissen weten, denkt hij wellicht. Vandaar zijn zelfbeschuldiging dat hij maar een zondig mens is, en dat Jezus hem best in de steek laat, want hij is niet veel waard. 

We weten hoe Jezus reageert: Hij roept Simon Petrus juist wél bij zich, en laat hem onmiddellijk voelen dat hij niet de minste van zijn volgelingen zal zijn, wat Hij zal hem leren mensen te vangen. Hij zegt dat alleen tegen hem, niet tegen Jacobus en Johannes die ook zo zwaar onder de indruk zijn dat ze alles in de steek laten om Hem te volgen. 

Zusters en broeders, de eerste lezing en het evangelie ondergraven de opvatting dat fouten en tekortkomingen tegenover God zomaar tot zware straffen leiden. God is geen wraakzuchtige bestraffer, maar een liefhebbende en bezorgde Vader. Hij laat zijn volk niet in de steek, maar het volk moet wel willen luisteren, anders mist het alles wat deze liefhebbende Vader de mens wil schenken; liefde, vrede en vreugde. En God laat zijn volk ook niet in de steek. Dat zien we in het evangelie. De hele nacht heeft Petrus gevist, maar hij heeft niets kunnen vangen. Dan zegt de Heer hem dat hij zijn netten nu maar moet uitgooien. Tegen zijn zin doet Petrus dat, en hij vangt buitengewoon veel vis. Opnieuw zien we: als de mens niet wil leven naar Gods woord, mist hij kansen. Immers, als Petrus niet naar Jezus had geluisterd, had hij geen vis gevangen. 

Zusters en broeders, geloven is geen weg die leidt naar vreselijke straffen, maar naar een vredevol leven, ons geschonken door een liefhebbende en bezorgde Vader. Amen.