Lucas treedt op als leraar. Hij schrijft geschiedenis. Hij schrijft aan een voornaam man, de 'edele Teofilus', wat de geschiedenis van Jezus en van de apostelen leert aan het geslacht dat er na komt, dat Jezus niet meer heeft weten optreden. Teofilus moet weten 'hoe betrouwbaar de leer is', waarin hij onderwezen is. De boodschap van Jezus, de prediking van de apostelen, is reeds een 'leer' geworden. De volgelingen worden reeds 'christenen' genoemd. Teofilus wordt onderricht over wat hij als christen 'moet weten en doen om zalig te worden', zoals we vroeger zegden. Hij moet bevestigd worden in zijn geloof. Hij is als een van ons. Ook wij hebben Jezus niet meer gezien. Ook wij weten, van horen zeggen, 'de gebeurtenissen die onder ons hebben plaatsgevonden'. Ook wij willen 'zien hoe betrouwbaar de leer is' waarin wij onderwezen zijn.
Lucas zelf heeft Jezus niet gekend. Hij weet van horen zeggen en van anderen die geschreven hebben, dat Jezus in de woestijn bekoord werd, en dat Hij 'in de kracht van de Geest uit de woestijn terugkeerde naar Galilea en men over Hem sprak in heel de streek'. Hij weet van horen zeggen 'dat Hij als leraar optrad in hun synagogen en algemeen geprezen werd', en dat 'Hij ook in Nazaret kwam, waar Hij was grootgebracht'. De grond van heel zijn evangelie, van vandaag en van heel het jaar dat voor ons ligt, weet hij van horen zeggen.
Lucas was een dokter. Hij was misschien geen Jood. Alle anderen die over Jezus geschreven hebben in het Nieuwe Testament waren Joden, zoals Jezus zelf. Onze evangelist was een medewerker van Paulus. Hij was een vriend van hem en was vaak mee op zijn missiereis. Paulus zelf had ook Jezus niet gekend. Alle drie, Paulus, Lucas en Teofilus waren door Jezus overrompeld. Ze hadden van alles gehoord, Paulus in het Jodendom en de andere twee in het heidendom, maar 'de gebeurtenissen' rond Jezus hadden hen alle drie overtuigd dat bij Jezus de sleutel van het leven lag, dat Jezus de sleutel zelf was. Dat had ze één gemaakt, over tijd en ruimte en cultuur heen. Lucas spreekt van 'de gebeurtenissen die onder ons hebben plaats gevonden', alhoewel hij er zelf niet bij was, en Teofilus aan wie hij schrijft evenmin. 'Ons', dat zijn de leerlingen die één zijn, het zijn de 'christenen', - zo werden ze voor het eerst in Antiochië genoemd -, het zijn de leden van de Kerk die ontstaan is en die met gezag Lucas' verhaal bekrachtigd heeft, die het als een van de vier evangelies aannam, die het tot een van háár vier evangelies maakte. Lucas was goed gekend in de oudste kerk, zo goed dat wij over hem nog weinig weten. Het was genoeg te zeggen: 'evangelie volgens Lucas'. Er hoefde niet bij gezegd wie Lucas was. Iedereen wist het. Zijn gezag had hij van Paulus en door Paulus van de hele kerk.
Het is deze Lucas, die in het hart van de eerste Kerk leeft, die vriend is van Paulus, die aan de hand van de overleveringen, op zijn manier en met zijn inzichten, zijn 'ordelijk verslag' schrijft. Het is doortrokken van heel de traditie, van de herinnering van ooggetuigen, van het geloof van de eerste christenen, van de woorden van de missionarissen 'die in dienst van het woord zijn getreden', van zijn eigen geloof en aanvoelen, van zijn eigen karakter en temperament, van zijn eigen talent, van heel zijn persoon, door de heilige Geest geïnspireerd.
Als we rechtstaande zijn evangelie beluisteren, als we het alleen overwegen of met vrienden bespreken, beluisteren, overwegen, discussiëren we de woorden van de eerste kerk zelf, de woorden van de heilige Geest, het woord van Jezus van Nazaret, door Lucas in de kerk geschreven, door ons in de kerk begrepen. Ons 'aller ogen' zijn 'gespannen op Hem gevestigd'.