Het jongetje had van zijn moeder een kistje gekregen. Van licht vurenhout, maar in de loop der jaren verdonkerd en verweerd, gepolijst door de tijd. Het jongetje liep de wereld rond met dat kistje en met de vraag: wie wil er in mijn kistje kijken? Hij hoopte namelijk dat het een toverkistje zou zijn.
Er waren er die niet wilden kijken. Geen tijd, zeiden ze, of geen zin. Zeker weten? Zeker weten! Dat kán natuurlijk, het jongetje liep door. Een enkeling wilde wel een blik werpen: een zwerver op het station, een dame met volle boodschappentassen, een passant in het centrum, een eenzame drinker bij ‘De Filistijnen'. Ze keken, hun ogen leken even op te lichten, maar één voor één wendden ze hun blik af en verzonken ze weer in zichzelf. Ze deden niets met het kistje.
‘Dat komt', verklaarde zijn moeder desgevraagd, ‘omdat ze allemaal alleen zijn. Je moet naar plekken toe waar er minstens twee of drie hij elkaar zijn. Waar mensen samenscholen'.
‘Dan ga ik naar scholen', besloot het jongetje. En in de stuwkracht van zijn moeder reisde hij met zijn kistje af naar Scholenstad. Zo kwam hij bij schriftgeleerden en letterkundigen. Die wilden wel kijken in het kistje. Maar vervolgens kwamen heftige discussies op gang: over het hout van het kistje en over het soort papier van de inhoud, over maatschappelijk nut en marktaandeel, over de zegen van de mediavrijheid. En over de kleur: paars of juist niet? Het jongetje snapte er allemaal niets van. Toen ook nog twee semioten elkaar in de haren vlogen over de vorm van wat er in het kistje zat, vertrok hij maar, zijn schat onder de arm.
‘Het kistje doet niets', klaagde hij.
‘Dat komt', zei zijn moeder, ‘omdat die mensen niet zingen. Als ze niet zingen leven ze niet. En wie niet leeft, kan niet echt lezen'.
‘O', zei het jongetje.
Hij ging op zoek naar een plaats waar gezongen werd; hij kwam in een kerk terecht. En óf daar gezongen werd. Dubbelkoren schaar-den zich rondom het kistje, beurtzangen en koralen weerklonken. Het kistje werd op een standaard van goud gezet; bloemen erbij, wierook eromheen. Alles ging daar open: monden, vleugelkleppen, zwelkasten en portemonnees - maar het kistje zelf bleef dicht. Vreemd, dacht het jongetje, het lijkt wel of ze allang wéten wat erin zit. Of dénken te weten.
Hij ging niet eens meer naar zijn moeder terug om raad. ‘Jammer', zei hij, ‘ze hadden enkel het kistje hoeven open te maken; maar nu kan er niets meer opengaan'. Hij trok verder.
Dit lijkt een verhaal zonder eind. En in zekere zin ís het dat ook. Maar het is niet zo, dat het jongetje overal nul op het rekest kreeg. Hij kwam op plaatsen waar mensen echt samen waren. Waar ze in het kistje keken en in één moeite door naar elkaar. Waar ze luisterden naar elkaars verhalen. Daar werd ook gezongen, maar niet ronkend en galmend, nee: bescheidener, zuiverder; niet meer vanuit de keel, maar vanuit de buik. Het was dan niet duidelijk of het kistje iets met mensen deed, of mensen iets met het kistje. Soms was het kistje een warme stoof of een vertelkruk.
Een man vertelde hoe hij opnieuw geboren was toen hij nieuwe mogelijkheden in zichzelf ontdekte, nieuwe naaktheid, eindelijk zachtheid. Een vrouw vertelde over haar uittocht uit allerlei vader- en andere mannenhuizen. Een volk vertelde hoe het terugkeerde op eigen grond en in pijn en moeite het land opnieuw bewerken ging; hoe dat ging met elkaar en hoe dat niet ging. Een docent vertelde waar hij stil van werd, een student sociale wetenschappen kwam met het verhaal van haar eerste liefde. Honderd verhalen, overal vandaan, die weer rijmden op duizend andere verhalen. Ze konden in het kistje erbij.
‘Toch een toverkistje', dacht het jongetje. Want op deze plaatsen van horen, zien en delen gingen ogen, oren, harten open. Daar werd het leven hervonden, herijkt, verdiept, geëerd. Er werd ge-huild en gerouwd, maar niet alleen en ieder voor zich. Er werd ge-geten, gedronken, gefeest; nooit alleen. Chaos werd mensenland, zinsverband groeide, liefde sloeg over.
Het jongetje loopt nu al eeuwen rond. En het vraagt: ‘wil je in mijn kistje kijken?' Het wacht. Soms wordt men woedend. Dan loopt het jongetje gewoon door. Vaak is het kistje nog aanleiding voor over-volle debatten en lege liturgieën. Maar soms komen mensen op verhaal, op hun eigen verhaal, het verhaal van mensen-voor-mensen. Daar licht mensenoorsprong op, vinden mensendagen zin en inhoud, komt mensentoekomst dichterbij.
Is het de hofschrijver Ezra die daar loopt? Of is het Jezus, de zoon van Jozef? Ik zou het niet weten. Maar ik heb horen verluiden dat dít in zijn kistje lag: een bladwijzer waarop zoiets geschreven staat als: ‘Heden is deze tekst in vervulling gegaan, nu hij u ter ore komt'. Dat althans is mij ter ore gekomen. Maar ik geloof het pas als er iets gebéurt. Niet eens een wonder: als er maar harten opengaan.