Jezus legt zijn eigen dorpsgenoten uit wat hem is overkomen. Hij is, volgens zijn gewoonte, naar de sabbatsdienst gekomen. Zij zijn ook gekomen. Ze zijn nieuwsgierig naar wat hij zal gaan zeggen. Na zijn doopsel, maar vooral na de wonderlijke dingen die hij elders al gedaan heeft, is hij hun een verklaring schuldig, vinden ze.
Hij staat op om de lezing te doen. Ze geven hem de boekrol met de tekst van de profeet Jesaja. Hij opent die rol, en zoekt naar een plaats in die tekst. Hij vindt die en leest hem voor. Het gaat over een gezalfde die met goed nieuws komt, die gevangenen zal bevrijden, blinden genezen, onderdrukten verlossen, en een genadejaar afkondigen. Alle ogen hangen aan zijn mond. De spanning is voelbaar. Hij zegt: ‘Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt, is thans in vervulling gegaan.'
Bevrijdingstheologen en exegeten gebruiken deze tekst om Jezus' taak te beschrijven. De zending om hier op aarde een genadejaar, of beter een jubileumjaar, af te kondigen en te beginnen. Wij kennen ook onze heilige of jubileumjaren. Die heilige jaren hebben iets te maken met het oude joodse jubileum, de viering van hun vijftigste jaar na zeven maal zevenjaren. Maar ze worden bijna onherkenbaar verburgerlijkt en vergeestelijkt. Het oude joodse jubileumjaar is verre van burgerlijk of exclusief spiritueel.
In het begin van dat joodse vijftigste jaar moet de ramshoorn (jobel) schallen, en dan worden alle slaven vrijgelaten, alle schulden vergeven, en alle goederen, vooral het land, herverdeeld. Er zijn in de bijbel aanwijzingen dat men dat wel eens ‘gedeeltelijk' deed, bijvoorbeeld na het lezen van de heilige schrift door de priester Ezra in de eerste lezing van vandaag. Men bleef echter nooit trouw aan deze traditie. Dat is de reden dat profeten beginnen te spreken van een genadejaar, dat door God onder ons begonnen zal worden. In Nazaret maakt Jezus zich bekend als degene die dat in Gods naam gaat doen. Geen wonder dat zijn arme dorpsgenoten aanvankelijk enthousiast zijn.
Enkele jaren geleden schreef Vincent Donovan een boek dat hij Christianity Rediscovered noemde. Hij vertelt daarin hoe veel voorvallenen situaties in de bijbel hem in Afrika duidelijk worden. Hij is niet de enige die dit overkomt. Harold Miller, een Amerikaanse Afrika-specialist uit de traditie der wederdopers, gebeurt hetzelfde. Hij leeft jarenlang onder de Gabra, een nomadenvolk in noordoost Kenia. Hij ontdekt daar, dat dat volk jubileumjaren viert op de oudbijbelse manier. Hij is erbij wanneer ze in 1981 een jubileum vieren. Na een jaar van voorbereiding herverdelen ze in dat - volgens hun jaartelling - vijftigste jaar, hun vee en andere bezittingen, vergeven alle schulden, leggen alle ruzies bij, en zorgen dat ze allemaal weer gelijk kunnen beginnen. Wanneer Miller hun vertelt dat hij zijn ogen en oren niet kan geloven, zeggen ze hem, dat ze niet begrijpen hoe je een gemeenschap bij elkaar kunt houden zonder zoiets iedere vijftig jaar te doen. Als je dat niet doet, zeggen zij, dan worden de onderlinge verschillen zo groot dat de gemeenschap uit elkaar valt. Het verschil tussen rijk en arm wordt onverdraaglijk. Iets wat we kunnen afchecken in ons eigen land, en in onze wereld, waar de afstand tussen rijk en arm, nationaal en internationaal, nog steeds groeit, en waar de onderlinge schulden ons allemaal bedreigen.
In de eerste lezing van vandaag leest Ezra de wet van Mozes voor aan zijn volk, dat terug uit zijn ballingschap, die lezing hard nodig heeft. Ze zijn terug in hun eigen land, maar hebben hun visie verloren, en ze weten nauwelijks waar ze aan toe zijn. Wanneer het volk die visie en alles wat er mee samenhangt in de heilige schrift hoort, barst het in tranen uit. Ezra zegt niet te treuren over het verleden. Hij vraagt hun iets positievers te doen, iets in de lijn van een jubileumviering. Hij zegt hun lekker te gaan eten en drinken, en er daarbij voor te zorgen dat zij die niets hebben zullen delen met hen die dat wel doen. Een opdracht die dezelfde is gebleven.