Ik herinner me dat ik ooit eens op bezoek was bij Bernard Kemp, een gekend Gezelle-kenner en schrijver. Hij had ook een moeilijk boek geschreven: Het Weekdier. Ik vertelde hem dat ik van zijn boek geen snars verstond. Toen zei hij me: "Je hebt toch een beetje tijd. Zet je neer. We gaan een glaasje wijn drinken, en ik ga je uit het boek voorlezen."
Hij zette zich neer, nam zijn boek, en begon te lezen. Heel langzaam, soms zijn stem verheffend, dan heel zacht. Een hele avond lang. Toen het al laat in de avond was en we moe werden, sloot hij het boek en zweeg.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik ontroerd was. Het was plots zo helemaal anders geworden. Ik had niet alles gesnapt, maar ik was plots gefascineerd door wat hij aan het voorlezen was.
Dan zei hij: "Er zijn boeken die men hardop moet lezen." Toen nam hij nog vlug de verzamelde werken van Gezelle, dat was zijn specialiteit, en las heel rustig het gedicht dat velen van ons nog kennen. Het gaat over Jezus die zich terugtrok op een berg om te bidden:
"Gij bad op enen berg alleen,
En . . . Jesu, ik en vind er geen
Waar 'k hoog genoeg kan klimmen
Om U alleen te vinden:
De wereld wilt mij achterna,
Alwaar ik ga of sta of ooit mijn ogen sla..."
[en arm als ik en is er geen,
Geen een, die nood hebbe en niet klagen kan;
Die honger, en niet vragen kan;
Die pijne, en niet gewagen kan hoe zeer het doet!
O leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!]
Wel dat is ongeveer wat mensen moeten ervaren hebben in de twee lezingen van vandaag.
De Joden zijn uit de ballingschap teruggekeerd. Jeruzalem ligt er troosteloos bij. De muren om de stad en de tempel zijn verwoest. Wat erger is: de Joden die naar hun land terugkomen weten van niets meer. Daarom geeft Nehemia aan de priester Ezra de opdracht om voor te lezen uit de Thorà. Hij roept het volk bijeen, gaat op een verhoog zitten en begint gewoon te lezen uit de Bijbel, de Thorà. De mensen verstaan het niet goed. En er moest dus uitleg bij gegeven worden. En na een zekere tijd zijn de aanwezigen zo geboeid dat ze er ontroerd bij worden. En ze riepen het uit: "Amen! Amen!" - Zo moet het zijn! Dat moeten wij doen!
In het evangelie is het een gelijkaardig verhaal. Jezus treedt op als leraar in de synagogen en werd algemeen geprezen. In zijn dorp, Nazareth, gaat Hij naar de synagoge en leest voor uit de profeet Jesaja. Het is een grote profetie:
"De Geest des Heren is over Mij gekomen,
Omdat hij Mij gezalfd heeft.
Hij heeft Mij gezonden
Om aan armen de Blijde Boodschap te brengen,
Aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken
En aan blinden dat zij zullen zien;
Om verdrukten te laten gaan in vrijheid,
Om een genadejaar af te kondigen van de Heer."
Dit is een zeer geladen tekst. Ze worden uitgesproken voor eenvoudige mensen die gebukt gaan onder de strenge regels die men hen oplegt, mensen die ook leven in een door de Romeinen bezet gebied. Allicht kennen de toehoorders die tekst en is dit niets nieuws. Maar het is belangrijk dat ze het weer horen. [De Bijbel zouden we vaak hardop moeten lezen. Denk ik.] Let wel: Jezus voegt er iets aan toe:
"Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan."
Het moment is nu gekomen. Nu begint de tijd van verlossing en bevrijding.
De armen, de vervolgden, de verdrukten gaan nu hun kans krijgen. Jezus komt zeggen dat God aan hun zijde staat. Dat is zijn programmaverklaring. Hij verkondigt dat het nu het genadejaar is van de Heer.
Het Genadejaar is het Jubeljaar dat om de vijftig jaar werd afgekondigd: meesters moesten hun Slaven weer vrijheid geven, armen werden hun financiële schulden kwijtgescholden, zondaars werden weer toegelaten tot de synagoge. Maar nergens in de Bijbel lezen we dat dit alles werkelijk werd toegepast. Jezus zegt: Nu gaat het wel gebeuren. Nu ga Ik er werk van maken. ["Jubel" komt van het Hebreeuwse woord jobel, wat bazuin wil zeggen].
De vraag tot ons gericht is: "Gaan wij er - eindelijk - werk van maken?"
Kunnen wij mensen vergeven, hen weer hun volle menswaardigheid geven, ze weer opnemen in de gemeenschap? Of zijn wij als de toehoorders in de synagoge die plots alle sympathie voor Jezus verliezen omdat ze niet aanvaarden dat Hij zo spreekt. Ze voelen zich geviseerd. ‘Geen enkel profeet is welkom in zijn eigen stad,’ ervaart Jezus. Wat verder in de tekst [die we vandaag niet lezen] (verzen 28 en 29 van het 4de hoofdstuk uit Lucas) staat dat de aanwezigen in de synagoge de boodschap niet verstonden en Jezus - nu al - willen doden:
‘Ze sprongen op en dreven Hem de stad uit naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem in de afgrond te storten.’
Gaan wij straks weer naar huis alsof er vandaag in deze viering niets gebeurd is. Zullen wij de buur met wie we in onmin leven blijven negeren, of de arme die weer eens komt aankloppen de deur wijzen, of weigeren te vergeven wie ons iets heeft misdaan? Dan zetten wij het werk van Jezus Christus niet verder en gaat het jubeljaar, het genadejaar weer eens aan ons voorbij. We moeten daarom goed luisteren en proberen waar te maken wat Jezus ons steeds opnieuw voorhoudt te doen. En geloof me vrij: dat is niet alleen een kwestie van geloven, dat is ook een kwestie van gezond verstand.