Hij openbaarde zijn heerlijkheid (Joh. 2,11)

 In elk leesjaar duikt de apostel Johannes even op. Hij is er altijd op de tweede zondag van het jaar en op de Paaszondagen. Het vierde evangelie is er een vol raadsels over Jezus de Christus, een persoon, die in dit evangelie met de begrippen ‘Woord’ en ‘Vlees’ nabij wordt gebracht. Het is geschreven voor gelovigen opdat hun geloof zou rijpen en verder groeien.

Het bevat ongeveer 15.000 woorden met een opvallende kleine woordenschat van 1022 woorden. Dit is het minst van alle nieuwtestamentische geschriften.

De tweede zondag leunt nauw aan bij de kersttijd, waarin de Openbaring van Jezus centraal staat.   Jezus openbaart zich in het evangelie van Johannes al van in het begin. Jezus openbaart ons wie de Vader is. Hij zegt van zichzelf: “Wie mij ziet, ziet de Vader.”

Na de grote proloog krijgen wij het getuigenis van Johannes de Doper over Jezus. We trekken mee op met de eerst geroepenen. Van in het eerste hoofdstuk gebruikt de evangelist Johannes meerdere grote titels om Jezus aan te duiden. Hij is het Woord (Logos Joh. 1,14); God (Joh. 1,18); leven en licht (Joh. 4.5.9); Eniggeboren Zoon (Joh. 1,14.18); Messias (Joh. 1,41.45); koning van Israël (Joh. 1,49); Mensenzoon (Joh. 1,51). In het tweede hoofdstuk komen we aan te Kana voor een bruiloft. Wij vernemen er weinig over de bruid en bruidegom, maar des te meer over Jezus en Maria. Zij vieren een nieuwe bruiloft.

Maria komt met een bede, waar Jezus eerst niet op ingaat. Hij lijkt afstand te nemen van haar. Zo wordt aangeduid dat Maria, de lichamelijke moeder van Jezus, tevens zijn leerlinge moet worden.

Het verhaal van het wijnwonder in Kana leunt nog enigszins aan bij het eerste hoofdstuk. Het is alsof de leerlingen pas daar begrijpen wie Jezus is. Het is anderzijds het eerste teken van zeven anderen, die in het boek der tekenen staan.

Maar het verwijst ook al naar het tweede deel van het evangelie, dit van de heerlijkheid, die Jezus binnengaat langs zijn lijden en dood. Het verhaal van het wijnwonder is bestemd voor de christenen die tot de Paaskerk behoren. Het verwijst naar het Grote Uur, dat niet in Galilea, maar in Jeruzalem plaats heeft.

De derde dag is in de Joodse berekening de dinsdag. Tot op vandaag zouden er op dinsdag veel huwelijken plaats vinden bij de Joden (Pinchas Lapide). Dit zou komen omdat op de derde scheppingsdag tweemaal wordt gezegd: “God zag dat het goed was” (Gen. 1, 9-13).

De verwijzing naar de derde dag heeft in de bijbel nog een andere draagwijdte. Deze uitdrukking wijst naar Gods optreden en brengt ons bij het einde van het leven van Jezus, bij zijn dood en opstanding.

Van Kana is er een boog gespannen naar Golgotha. Daar staan onder het kruis van Jezus Maria en de leerling, die Jezus beminde. Hij en zij vertegenwoordigen daar het echte Israël. Zij staan voor de gemeenschap, die na zijn heengaan de aanwezigheid van Jezus en diens werk verder zetten.

De schriften uit de gemeenschap van Johannes dragen de sporen van een grote pijn. Er is een afscheiding gebeurd tussen christenen en joden. Het verhaal zou volgens sommige commentatoren de overgang beschrijven van judaïsme naar christendom. Christenen hebben gebroken met het Jodendom en ze vinden dat de inspiratie er uit weg is. De kruiken zijn leeg. Het feest dreigt te verwateren. De tafelmeester en de bruidegom verstaan niet goed wat Jezus met de nieuwe wijn voorheeft en reageren met te zeggen wat de gewoonte voorhoudt: “eerst de goede wijn en dan de mindere.”

 

De grote hoeveelheid wijn en zijn hoge kwaliteit betekenen dat het messiaanse feest een aanvang heeft genomen en dat de wijn niet meer zal ontbreken (Alain Marchadour, L’Evangile de Jean, Centurion, 1992).

 

Jezus, die de nieuwe wijn brengt, is geworteld in het eerste testament, waarin profeten als Jesaja en Hosea het feestmaal aankondigden en de nieuwe verbondenheid van God met zijn volk in het vooruitzicht stelden. ”Zij die druiven plukken, zullen ervan drinken in de voorhoven van mijn heiligdom” (Jes. 62,9). “Ik zal je voorgoed tot mijn vrouw maken, ik zal je hecht aan mij verbinden, door liefde en ontferming. Mijn vrouw zult je zijn, want ik beloof je trouw, en jij zult de Heer toegewijd zijn” (Os. 2,21-24). De moeder van Jezus is in Kana en door haar wordt het grote feest van God met de mensheid mogelijk. Zij leidt het nieuwe Israël, in het verhaal gesymboliseerd door de dienaren, naar Jezus toe. Zij wordt zelf het nieuwe Israël, dat Jezus erkent en zich naar hem schikt. Maria en de dienaars doen wat het volk aan Mozes had beloofd in de Sinaï; “We zullen alles doen wat de Heer heeft gezegd” (Ex. 19,8). Tot de hongerige Egyptenaren had de Farao gezegd “Ga naar Jozef toe en doe wat hij zegt” (Gen. 41,55). Jezus in Kana roept het werk van Jozef op in Egypte. Jezus geeft in overvloed. Hij is de nieuwe wijn. Wijn is een symbool van vreugde (ps. 104,15) en is teken van overvloed (Am. 9,11-15). Van deze wijn mogen allen drinken. De wijn die Jezus schenkt bevat alle smaken van de voorheen geschonken en geproefde wijnen, de edele smaak van de wijsheidsliteratuur, de krachtige, scherpe wijn van de profeten, de liefelijke bloemrijke van het Hooglied (G. Ravasi, Das Evangelium nach Johannes, Neue Stadt, 1996).

Toch waardeert niet elkeen deze wijn van Jezus. “Als Jezus zijn wijn schonk, keek hij om zich heen en zag dat allen reeds bedronken waren. Ze waren niet in staat zijn wijn te proeven en te waarderen” (Naar het evangelie van Thomas).

De band met het eerste Verbond is in Kana nog krachtiger door het doorbreken van Gods heerlijkheid. Het eerste testament is er al van vervuld. Mozes hoopt Gods heerlijkheid te zien op de Sinaï, waar het hem even lukt (Ex. 33,11; Ex. 33,18-23). In Kana mogen de leerlingen in Jezus al diens grootheid en heerlijkheid zien. Voor de evangelist is het evangelie bedoeld om de heerlijkheid en grootheid van de Joodse mens Jezus, de door God gezondene, aan de wereld te openbaren (Joh. 1,14). Vertalers slagen er niet zo goed in om het Hebreeuwse woord ‘Kawod’ en het Griekse ‘Doxa’ in onze taal over te brengen. Ze doen dit met de woorden ‘heerlijkheid grootheid’, ‘glans’. ‘schoonheid’. Ze wijzen op dat wat gewichtig is, wat doorweegt, wat aanzien geeft. In het eerste testament toont Gods heerlijkheid zich in de natuur (ps. 29), in de bevrijding en de redding van het volk Israël (Jes. 40,5). Ze was te zien op de Sinaï (Ex. 24,16-17). Gods majesteit was in het tabernakel, in de ontmoetingstent (Ex. 40,35) en ze was later in de tempel. Ze zal wonen in Jezus, die de nieuwe tempel is geworden en bij wie wij mogen drinken van de nieuwe wijn.

Wij mochten mee aanzitten of aanliggen in Kana. We mochten drinken van de nieuwe wijn. Hoe geven we nu zelf iets door van de heerlijkheid die we er mochten zien? Wat doen wij opdat Jezus voor ons elke dag van het nieuwe jaar als de Nieuwe naar ons toe kan komen?