Tijd door het jaar (C)

Het is om ervan te duizelen. Koning van het heelal. Zo noemt de liturgie Jezus en zo eren we hem op deze laatste zondag van het kerkelijk jaar.

Het heelal, wat kennen we ervan? De vele melkstelsels? Hoe groot en hoe oud is dit heelal? Hoelang zal het nog duren? Het zwarte gat, is dit het einde? Het begon bij de oerknal, van waaruit alles begon en waaruit het evolueerde, het gesteente, de planten, de dieren, de mens. God slaapt in de stenen. Hij droomt in de planten. Hij ontwaakt in de dieren. Hij staat op in de mens. Alles wat bestaat looft de Heer, maar het is pas de mens die het kan verwoorden.

De vraag naar het waarom

In het boek De Greppel maakt de hoofdfiguur zich veel hoofdbrekens wegens zijn vermoedens over de mogelijke ontrouw van zijn vrouw. Ten onrechte. De auteur Herman Koch brengt er allerhande beschouwingen bij over milieu en samenleving. Hij laat even een geleerde aan het woord met speculaties over het heelal. Deze zegt: “De belangrijkste uitdaging waar wij ons sinds mensenheugenis voor gesteld zien is het waarom. Niet alleen de wetenschap, wij allemaal. We hebben eerst de wereld ontdekt en daarna het heelal. We hebben mensen op de maan gezet. Misschien dat er binnen nu en vijftig jaar mensen op de Mars zullen landen. Maar geloof me, wat we op Mars zullen aantreffen zal het bezoek aan de maan nauwelijks overtreffen; Nog meer stenen en kraters en opgedroogde rivierbeddingen waar misschien ooit water doorheen heeft gestroomd. Het is alleen maar verder weg. Over het geheel genomen zal een expeditie naar Mars op een teleurstelling uitdraaien. Nee, ons werkelijke doel ligt veel dichterbij. In wezen ligt het allemaal hier. In onze hersenen. We moeten verder willen denken dan wij tot nu toe hebben gedaan. We moeten doven willen worden, maar dan doven die willen horen. Voor een dove, die niet anders weet dan dat de hele mensheid ook uit doven bestaat, zou de ontdekking van het gehoor de grootst dankbare ontdekking zijn. Daar moeten we naartoe. We moeten niet langer steeds verder weg willen reizen, maar uitsluitend nog naar binnen. We moeten het tot nu toe ondenkbare willen denken” (Herman Koch, De Greppel, p. 141-142

De vraag naar het waarheen

Moeten we niet blijven nadenken over de band van onze wereld en ons leven met God? En is er naast de vraag naar het ‘waarom’ niet de even belangrijke vraag naar het ‘waarheen we gaan’?

Elk kerkelijk jaar is als een pelgrimstocht. Deze tocht eindigt naar christelijke overtuiging niet bij een zwart gat, maar in een ontmoeting en een vereniging met de Heer Jezus bij zijn komst (1 Thes. 4,13-5,11). We zijn als godsvolk op weg en hopen op de voltooiing van onze wereld en het heelal bij God, die aan het begin staat en ons einddoel is.

Paradoxen

We mogen deze zondag naar twee beelden en voorstellingen kijken. Lucas brengt ons bij het kruis van Jezus. Boven zijn kruis hangt het opschrift: “Dit is de Koning van de Joden.” Het is niet zo duidelijk of Pilatus, de opdrachtgever van dit opschrift, het bedoelde als spot of als een uiting van geloof. Lucas zelf getuigt van de koninklijke uitstraling van Jezus. Terwijl overheidspersonen Jezus bespotten en uitlachen en soldaten hem tergen, beseft een rouwmoedige misdader aan zijn zijde wie deze Jezus is. Hij vraagt: “Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.” Die man reikt ons daarmee een gebed aan, dat wij tot het onze kunnen maken.

Lucas herinnert op Calvarie zijn lezers aan wat aan Maria was gezegd bij de boodschap: “God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jakob en aan zijn koningschap zal geen einde komen” (Lc. 1,32-33).

Jezus heeft dit koningschap niet gebruikt in eigen voordeel om zichzelf te redden. Het is een gigantische paradox: de onmachtige Jezus, stervend op het kruis en die spreekt over zijn koningschap.

Eerstgeborene van heel de schepping

Naast het kruistafereel hangt de liturgie een tweede tafereel op, een icoon van de Pantocrator, Christus als albeheerser.

Zij haalt hiervoor haar inspiratie bij een oudchristelijke hymne uit de brief van de Colossenzen. In Christus, “in hem is alles geschapen, alles in de hemel en alles op aarde, het zichtbare en het onzichtbare” (Col. 1,16).

In zijn encycliek Geprezen zijt gij. Laudato si heeft paus Franciscus deze hymne voor ogen. Hij schrijft: “Volgens de christelijk opvatting van de werkelijkheid loopt de bestemming van de hele schepping via het mysterie van Christus, die vanaf het begin tegenwoordig is: “Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem” (Kol, 1, 16). De proloog van het Johannesevangelie (1, 1-18) laat de scheppende activiteit van Christus als goddelijk Woord (logos) zien.

Maar deze proloog verrast door zijn bewering dat dit Woord “vlees is geworden” (Joh. 1, 14). Een Persoon van de Drie-eenheid heeft zich gevoegd in de geschapen kosmos en het lot ervan tot aan het kruis gedeeld. Vanaf het begin van de wereld, maar op een bijzondere wijze echter sinds de menswording, is het mysterie van Christus op een verborgen wijze werkzaam in het geheel van de natuurlijke werkelijkheid zonder daardoor de autonomie ervan aan te tasten” (n° 99).

 

“Het Nieuwe Testament spreekt ons niet alleen van de aardse Jezus en zijn zo concrete en liefdevolle relatie met de wereld. Het laat ons Hem ook zien als verrezen en verheerlijkt, aanwezig in heel de schepping met zijn universele heerschappij: “Want in Hem heeft God willen wonen in heel zijn volheid, om door Hem het heelal met zich te verzoenen en vrede te stichten door het bloed aan het kruis vergoten, om alles in de hemelen en op de aarde te verzoenen, door Hem alleen” (Kol. 1, 19-20). Dit richt ons op het einde der tijden, wanneer de Zoon de Vader alles in handen zal geven zodat “God alles in alles is” (1 Kor. 15, 28). Zo doen de schepselen van deze wereld zich aan ons niet meer voor als een puur natuurlijke werkelijkheid, omdat de verrezen Heer ze op mysterieuze wijze omgeeft en richt op een bestemming van volheid. Dezelfde bloemen op het veld en de vogels die Hij verwonderd zag met zijn menselijke ogen, zijn nu vol van zijn lichtende tegenwoordigheid” (n°100).

Ecologie en solidariteit

De mens heeft een grote verantwoordelijkheid voor het behoud en de heelheid van de schepping. Christenen delen deze zorg met mensen uit andere religies en gezindten. In zijn encycliek houdt de paus een pleidooi voor een integrale ecologie. Er is een sterke relatie tussen de armen en de kwetsbaarheid van de planeet. We eren Christus als koning van het heelal wanneer we deze dubbele zorg delen. Jezus heeft vaak zijn grootheid getoond in zijn dienstbaarheid. Ja, hij is een wondere koning. Door hem te dienen in de kwetsbare, delen we in zijn koningschap. Cui servire regnare est. Dit is een oud Latijns oud gezegde: hem dienen is mederegeren. Het staat in de geschriften van Sint Augustinus.

 

Bidden

Bij de negentigste verjaardag van de Britse koningin Elisabeth werd door het Britse Bijbelgenootschap het boek uitgegeven: The Servant Queen and the King she serves (De dienende Koningin en de Koning, die ze dient). Het voorwoord was van de koningin, die dankt voor de gebeden en voor Gods trouwe liefde.

Generaal de Gaulle was een trouwe kerkganger in Colombey-les- deux-Eglises. De pastoor had de gelovigen uitgenodigd een gebed neer te leggen bij het Christusbeeld. Op het briefje van de president zou deze zin gestaan hebben: “Le premier de la France au second de la Trinité.” De pastoor zou een correctie voorgesteld hebben en toen schreef de generaal: “Le grand Charles au petit Jésus.” Dit behoort tot de vele anekdoten over de Franse president (Pierre Trevet, Paroles d’un curé de campagne).

En wat is ons gebed op deze feestdag van Christus Koning?

Een gebed om hem trouw te blijven dienen jaar na jaar.

Een gebed van dank om de weg die hij ons toont.

Een gebed van hoop om zoals de goede moordenaar eens voor altijd bij Jezus in zijn rijk te zijn.

Of een gebed met de woorden van Willem Barnard:

O Jezus Messias; wij loven U

Ge zijt voor ons het beeld van God,

Een zon die in de hemel staat,

Een licht voor ons uit,

Een zegen op ons hoofd,

Het geheim van ons dagelijks brood

En de wijn van de blijdschap.

Ge zijt ook ons menselijk voorbeeld,

Een herder,; een visser, een bidder,

Een mensenvriend aan de waterkant.

Gij maakt ons aandachtig voor de aarde

En weerbaar in de wereld,

Ge zijn de vervulling van Israël

Zo staan we met ons hoofd omhoog

En de ogen vooruit,

want hemel en aarde

zijn vol van U.