Vandaag nog zult ge bij mij zijn in het paradijs

Beste vrienden,

Europareizigers – vooral als ze uit andere continenten komen, zijn meestal zwaar onder de indruk van de vele kastelen en burchten die in het landschap van ons continent aanwezig zijn.   Deze burchten en kastelen getuigen, ook al zijn er intussen al vele tot ruines vervallen, van het rijke leven aan de Europese hoven. Met zware tapijten behangen muren en massief houten tafels die, bij grote eet- en drinkgelagen, onder het gewicht van de spijzen doorbogen.     

De edelen flaneerden in hun pronkvolle gewaden door de zalen, gluurden naar welwillend glimlachende edelvrouwen en zij allemaal wachtten op de Koning. Niets gebeurde buiten de wil van zijne majesteit. De Franse koning Lodewijk XIV drukte het als volgt uit: “L’état, c’est moi”. “De staat, dat ben ik”. De Europese koningen en keizers waren absolute heersers en zo menig oosterse despoot uit de tijd van Jezus deed daar zeker niet voor onder. 

Daarom is het woord Koning voor ons een woord waarmee we beelden van macht en geweld associëren. Ook het evangelie van vandaag vertelt ons van geweldige machtvolle handelingen. De Koning waarvan hier wordt gesproken, deelt de mensen in twee groepen in; de goeden aan de ene en de slechten aan de andere kant. Niemand betwijfelt zijn oordeel; er gebeurt wat Hij, de heerser, beveelt.  Zo ver, zo goed. Tot hier vallen onze beelden samen. Maar wat er dan volgt, dat zet alles op zijn kop, wat wij tot nu toe met monarchieën in verband brachten. 

 „Ik was hongerig, dorstig, vreemd en dakloos, naakt, ziek en in de gevangenis“. Dat zegt de mensenzoon over zichzelf. Christus, onze koning, is niet gekleed in hermelijn en bedekt met goud en juwelen, maar naakt. Hij zit niet aan een feesttafel met uitgelezen spijzen en dranken, maar hij is dorstig en lijdt honger. Hij bezit geen kasteel met mooie gobelins, maar is dakloos; en hij heeft ook geen hofhouding van edelen en glimlachende edelvrouwen om zich heen, maar in lompen geklede armoezaaiers.   

Zeker geen koning zoals wij ons een koning voorstellen, maar een koning die alleen in het nieuwe testament zijn plaats kan hebben; een koning, die we ons ook alleen maar met een doornenkroon kunnen voorstellen en wiens geschonden lichaam aan het kruis hangt. De koning die Lucas hier beschrijft is een anti- koning, gewoonweg een karikatuur van een koning. Zou Pius XI daar ook aan gedacht hebben toen hij in december 1925 het feest van Christus Koning instelde? De eerste wereldoorlog was voorbij. De volkeren die zich geroepen hadden gevoeld om elkaar uit te moorden lagen terneer. Koningen en keizers werden tot afdanking gedwongen en de volkeren smachtten naar vrede en oriëntering. 

Waartoe politieke leiders, en in hun gevolg natuurlijk ook hun onderdanen, in staat waren, dat ondervonden de mensen toen aan den lijve. En in de discussie over de vraag welke de werkelijke opdracht van leiders, koningen en keizers is, mengde het Vaticaan zich met de invoering van het feest van Christus Koning.  Niet de aardse machthebbers, die hun volkeren steeds weer tot haat, oorlogen, verwoesting en leed hadden geleid, mogen het voorbeeld van de gelovige mensen zijn, maar wel de verrezen Heer – de Christus koning!   Hij is degene die zich tot de mensen aan de rand van de maatschappij richt; die met alle mensen spreekt en om allen bezorgd is; die zich onvoorwaardelijk voor anderen inzet – alleen Hij is de ware koning.  

We zouden nu natuurlijk kunnen inbrengen: „Als dat alleen de reden voor dit feest is, is het dan nog wel actueel? En reeds bij het stellen van de vraag voelen we aan dat het antwoord alleen maar JA kan zijn.   Er is natuurlijk veel veranderd en de volkeren van Europa komen God zij dank reeds tientallen jaren zo goed overeen dat de wapens zwijgen. Maar als Christenen moeten we aandacht hebben voor de ganse wereld. Kunnen we werkelijk zeggen dat deze tijd een vredevolle tijd is? Kunnen we echt beweren dat in onze wereld niemand nog honger of dorst heeft? Dat niemand zich aan de rand van de maatschappij geduwd voelt?   Kunnen we echt volhouden dat alle vormen van verdrukking en heerschappij uit de wereld gebannen zijn? Dat alle mensen op aarde in waardigheid kunnen leven en alles hebben wat ze voor het leven nodig hebben.  We weten allemaal dat er ook vandaag nog zo veel vormen van geheime onderdrukking bestaan – onderdrukking op vele verschillende manieren tot en met huiselijk geweld – zodat de wens naar een andere, een vreedzamere en door God gewilde wereld ook vandaag nog een vaste plaats verdient.  

Hoe onopvallender de mechanismen werken waardoor de mensen in onze tijd in hun waardigheid worden beperkt; de sluipende manier waarop hun recht op leven wordt ingeperkt, des te belangrijker is het om „STOP“ te zeggen! Wij hebben een andere koning! Wij zijn de onderdanen van een man die ons voorleefde hoe mensen, vrouwen en mannen, kinderen en ouden van dagen, autochtonen en allochtonen, rijk en arm als kinderen van God en als broers en zusters samen kunnen leven. Wij zijn de burgers van het koninkrijk van God, die over de kleinen en de zwakken waakt. Onze koning is niet de voorzitter van de raad van bestuur van de Wereld NV, maar de man uit Nazareth. Hij identificeert zich volledig met de behoeftigen in deze wereld. Hij gaf zijn leven voor ons mensen, om ons allemaal te tonen hoezeer God ons liefheeft en waartoe zijn oneindige liefde in staat is.   

Het evangelie van vandaag moet ons geen angst aanjagen. Ook als het daar in het verleden dikwijls toe werd misbruikt. Want dit evangelie toont mij hoe mijn leven kan lukken. Het lukt dan, als ik er een gevoel voor kan ontwikkelen wat er te doen is; wat er op dit ogenblik net belangrijk is. Het lukt daar, waar ik bereid ben om mezelf, met alles wat ik ben en heb, in onze wereld in te zetten.  Als ik traag van hart ben en alles zelf vasthou, verarm ik tenslotte en veroordeel mezelf.  

Een bekende theoloog heeft ooit gezegd: „Wie zich in God onderdompelt duikt in de armen en de arm gemaakten terug op”. En ik kan ook zeggen: „Wie zich liefdevol tot de geringsten, de armen en de behoeftigen richt, vint zichzelf in de armen van God terug”.  Waarom zouden we dan bang zijn van dit evangelie? Het moet ons bewust zijn dat er 5 evangelies zijn! 5? vraagt u me nu. Vier worden er, zo denk ik, zelden door de mensen gelezen: Mattheus, Markus, Lukas en Johannes. Maar het vijfde evangelie, dat van ons leven, het uwe en het mijne, dat herkennen de mensen maar al te goed. En dat zou voor hen een evangelie moeten kunnen zijn. Amen.