God in Jeruzalem (2010)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

DE VELE NAMEN VAN GOD

‘Ik zie liever een biddende Islamiet met een hoofddoekje, dan een vloekende Hollander met een bierbuik. En daar richten we ook geen partij tegen op!' Aldus vatte iemand zijn commentaar op de verkiezingsdebatten samen. Vloekend en biddend wordt God met veel namen aangesproken. In de kerk zeggen we ‘lieve Heer'. De naam Jahweh werd ooit liefkozend gezongen bij harpmuziek in een tempel, of als strijdkreet uitgeroepen door de nomaden in Midjan om moed te verzamelen. De Islam bewaart een lijst van 99 godsnamen: de Onweerstaanbare, de Majestueuze, de Vergever, de Alwetende, de Samenvoeger... Ooit vroeg ik aan kinderen van groep vijf of ze namen voor God kenden. Een jongentje stak vurig een hand omhoog. Ja, hij wist een naam en hij mocht hem zeggen ook: ‘Heer der hemelse heerscharen!' Hij had er al zijn adem voor nodig!

DE ONNOEMBARE

‘Adam' mocht namen geven aan de dieren, zo vertelden de Hebreeuwen elkaar. Ze bedoelen dat de mens boven de dieren staat. Geen koeien, draken of poezen zijn heilig. De mens is de baas over de dieren. Een man gaf zijn naam aan zijn vrouw en heerste over haar; Sanne mag een naam geven aan al haar poppen. Luc gaf een naam aan zijn hagedissen. Omdat men zich ging realiseren dat de naamgever een zekere macht uitoefent, ging men het steeds meer ongepast vinden om de naam van God uit te spreken. Zijn naam werd nog slechts gefluisterd of helemaal verzwegen. Men ging de naam omschrijven. Men zei ‘de Heer', ‘Adonai.' Men las de naam en zei: ‘de vier letters', ‘de Onnoembare.' Of men zweeg. Joden spraken de naam van God gedurende een lange periode van hun geschiedenis niet uit.

TROETELNAAM

Het tegendeel hiervan komen we tegen in Kerkrade! ‘Had ‘t Herjödsje miech d'r man mar neet mósse voetpakke!' ('Had 't lieve Heertje mij de man maar niet moeten wegnemen') stelde een vrouw goedmoedig vast. Met een tas vol boodschappen in de ene en de deurknop in de andere hand, legde ze uit waarom ze een luxe zeereis had geboekt op de Caribische zee. Het mooie van de godsnaam ‘Herjödsje' is, dat ze een liefkozing is. ‘t Herjödsje hoort tot onze intieme levenssfeer. God hoort bij de familie. De vrouw had zich neergelegd bij Zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit en de dood van haar man geaccepteerd, maar tegelijk houdt zij God in haar tasje. Hij is haar God en haar kind tegelijk, vader en zoon. Zo stapt ze op het vliegtuig naar Mexico!
Er ligt een wereld van verschil tussen het zwijgen van de Joden in Warschau en ‘t Herjödsje aan het strand van Aruba. Het joodse zwijgen weet van vernederingen, vervolging, en vernietiging. Het zwijgt eerbiedig, bang om God te tarten. Het beseft dat God niet te doorgronden is.
De vrouw van ‘t Herjödsje heeft een vertrouwd gevoel bij de Allerhoogste. Ze ziet hem niet als een grillig despoot. Voor haar is Hij de Enige die betrouwbaar is. Hij staat garant voor een rechtvaardige voltooiing van al wat er gebeurt.

DRIEVULDIGHEID

Voor de eerste christenen was Jezus al heel vroeg iemand tot wie men bad en die men goddelijke lof toezwaaide. Eeuwen later riep dit vragen op. Jezus zelf geloofde toch maar in één God! Aanbidden wij er nu twee? Er werden concilies gehouden in Nicea, Constatinopel en Chalcedon, tussen het jaar 300 en 450. Tenslotte lag de leer over de drievuldigheid er. God is te zien in diverse gestalte.
Maar deze oplossing werd ook zelf een probleem. Theologen gingen zich verdiepen in de verhouding tussen de Vader, de Zoon en de Geest. De Vader was de plannenmaker, de Zoon de incarnatie in de tijd en de Geest was de scheppingskracht. Men probeerde te verduidelijken hoe dat zat tussen die drie; en hier gingen ze de fout in. De God die ik kan analyseren, bestaat immers niet meer boven mij, maar is een van mijn concepten. Alles wat ik over Hem zeg, zeg ik over mijn eigen idee; níet over de Onnoembare.
Laat ons dat nog maar eens gezegd zijn op drievuldigheidszondag, dat God niet te doorgronden is. We kunnen van Hem zelfs geen vermoeden hebben. Hij vervult ons met huiver en ontzag. Dat is het zwijgen van de Joden. Tegelijk nodigt Hij ons uit tot overgave en vertrouwen. Dat is ‘t Herjödsje!

TJE, TJE, TJE!

 

Lieve kinderen. Het gebeurde ongeveer drie keer per jaar. Dan moesten Mirthe en Janno naar tante Prudence op bezoek. Dat was verschrikkelijk. Tante Prudence woonde in Tegelen. Dat was niet erg. Ze was heel oud. Dat was ook niet erg. Ze was eigenlijk geen tante, maar een oude vriendin van oma. Allemaal niet erg! Wat erg was, dat was dat tante Prudence altijd begon met je in de wang te knijpen. Als ze het heel hartelijk meende dan kneep ze je in beide wangen tegelijk. En dan - dat was het allerergste -, dan zei ze: ‘Zo mijn lieve Mirthe-tje...' Mirthe-tje, stel je voor! Wie zegt er nou Mirthe-tje? Ze kon er niets tegen doen. Ze trok haar hoofd terug, maar dat deed nog meer pijn. En dan kwam Janno aan de beurt. ‘En daar is mijn lieve Jannootje!', riep ze en daar kwamen haar grijpvingers. Jannootje..., het lijkt wel joghurt in een beker. Ze waren toch geen kinderen meer! Dus toen mamma zei: ‘Het wordt tijd om nog eens naar Prucence te gaan', toen riep Myrthe: ‘Ik ga niet mee! Tante Prudence zegt altijd "-tje". Myrthe-tje, geef me eens een hand-jè! En wat heb je een mooi tekeninge-tjè bij je...! Ik ben geen kindjè!' Myrthe zette haar meest boze gezicht op. Mamma liep naar haar toe. ‘Ach, liefje van me, het is ook niet gemakkelijk, maar je hebt ook zo'n lekkere wangetjes. Zet maar eens je beste beentje voor, schatje. Knijp maar eens een oogje toe, voor een keertje.' Ze aaide Myrthe over het hoofd. Plotseling vond Myrthje al die ‘-tjes' niet erg meer.