De tafel der armen

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

In veel parochies wordt in deze tijd de Eerste Communie gevierd. De manier waarop we nu omgaan met de 'communie' is heel anders dan vroeger. Ik herinner me hoe ik, manneke van zeven, heel opgewonden was. Ik zou cadeautjes krijgen, maar heel andere dan op mijn verjaardag: een rozenkrans, een kerkboekje, een kinderbijbel of wijwaterbakje; en van de pastoor een herinneringsplaat, die kon je later inlijsten. Geen geld, dat was er toen nog niet bij. Voorafgaand aan de Communie moest je biechten. En vanaf twaalf uur 's nachts mocht je absoluut niets meer eten of drinken. Zelfs bij het tanden poetsen moest je goed opletten dat geen druppel de verkeerde kant opging. Het ter communie gaan zelf was een plechtige ceremonie. Van tevoren werd hierop lang geoefend, zodat alles precies gelijk ging op het belletje van de zuster of juffrouw. Tegelijk knielen, opstaan, handen vouwen. En een kwartier nabidden, niet wiebelen, niet rondkijken, nee: met Jezus praten.

Wat een verschil met nu! In de zestiger jaren is er veel veranderd. Zo wordt de hostie niet meer op de tong gelegd, maar in de hand gegeven. Het magisch denken rond het 'Allerheiligste' werd doorbroken. Waarom zou de hand minder heilig zijn dan de tong? Trouwens, elkaar voedsel in de mond geven, dat doe je bij baby's en zuigelingen; volwassen mensen geven elkaar eten in de hand, in de open hand. Een gebaar van weerloosheid, openheid en overgave. Het tegendeel van de hand die zich balt en beukt en de ander baas wil zijn. Ik Iaat de binnenkant van mijn hand zien, het kwetsbaarste van mij zelf en niets is daarin, geen wapen, geen pretentie, geen macht. Die vragende hand houd ik op om te ontvangen. Mijn harnas heb ik afgelegd, ik ben toegankelijk geworden. Wat kunnen we elkaar beter reiken dan een open hand? In die open hand ontvangen wij brood, waarvan wij zeggen: dit is het leven van Jezus, zijn verleden, zijn heden en toekomst. Dat brood is het leven van de mens, zoals het geleefd moet worden. Het is zijn hele rijkdom en tegelijk zo schamel, want er is nog zoveel dat niet gedeeld kan worden.

Wij zijn maar mensen. Bij dat geven en ontvangen zouden we elkaar eigenlijk moeten aankijken en in de ogen zien. Dat is geen eenvoudige zaak, want schuchterheid is niemand vreemd. Maar als we iets met elkaar willen, Hem achterna, dan kan die open blik heel dienstig zijn: 'kijk maar in mijn ogen, zoals ik kijk naar jou.'

Het brood, dat wij elkaar reiken, de gestalte, het lichaam van Jezus staat op de tafel, die het middelpunt is van onze gemeenschap. Ook die tafel heeft een lange geschiedenis. Zij staat er vanaf den beginne, vanaf Abraham, die haar dekte voor zijn goddelijke bezoek. En veel later dekte Jezus hem voor de vijfduizend en voor zijn leerlingen op de laatste avond. En na zijn verrijzenis voor die twee van Emmaüs. Ook die tafel hoort bij de gestalte van Jezus onder ons. Van Hem hebben wij geleerd dat onze traditie een traditie is van tafelen, van eten en drinken. God neemt hier mensengestalte aan. In Jezus is Hij gastheer, maar tegelijk ook gast, want Hij vereenzelvigt zich met de arme en vergeten mens, die zijn hand ophoudt en vraagt gast te mogen zijn aan onze tafel.

Mag ik u tenslotte herinneren aan het visioen in de hemel, dat Johannes beschrijft in het boek Openbaring. Ook daar staat een tafel en erop een lam dat geslacht, maar toch levend is, want 'de dood zal niet meer zijn.' En rondom die tafel bevinden zich alle armen, weerlozen, onschuldigen, vertrapten, in witte kleren. Daar komen wij thuis, samen met hen, genodigd aan het bruiloftsmaal van het Lam. Wie honger en dorst heeft, neme van het brood des levens. Dat kan vandaag al en mag duren tot in eeuwigheid.