Als u volhardt (Lc. 21,19)

 

Nog enkele weken en we krijgen alweer een jaaroverzicht over het wel en wee van 2016. We zullen beelden zien over de aanslagen in Parijs en Brussel, over de aardbevingen in Haïti en Italië, over de oorlog in Syrië, over de vernietigingen in Palmyra en over vluchtelingen uit het Nabije Oosten en uit Afrika.

Angst en schrik

Alles wat bestaat, kan verdwijnen door oorlog, natuurrampen, verwaarlozing en door de tand van de tijd. De Tempel van Jeruzalem werd verwoest in het jaar 70. Prachtige gebouwen verdwenen op het Romeinse forum. Terroristen verwoesten op 11 september 2001 de twee hoge torens in het World Trade Center van New York. Bij deze catastrofen en deze die nog in de toekomst zullen geschieden, wordt telkens het woord van Jezus actueel dat hij zei in de buurt van de prachtige tempel: “Er zal een tijd komen, dat er geen steen op de andere gelaten zal worden, alles zal verwoest worden” (Lc. 21,6).

Lucas plaatst dit woord van Jezus in het deel van zijn evangelie, dat de kleine Apocalyps wordt genoemd (Lc.21,5-38). Hij beluistert dit woord vanuit gebeurtenissen die zich jaren na het heengaan van Jezus hebben voorgedaan, de verwoesting van de tempel. Misschien had Lucas ook horen vertellen over de uitbarsting van de Vesuvius.

Jezus - en Lucas met hem - voorziet de beproevingen die de leerlingen van Jezus zullen treffen omwille van de naam en de boodschap van Jezus. Naast de zorgen die ze tijdens oorlog en rampen samen met hun landgenoten delen, komen voor de gelovigen moeilijkheden omwille van Jezus. Deze zijn nog zwaarder en pijnlijker als ze komen van huisgenoten. Jezus had al eerder gezegd dat omwille van hem families verdeeld zullen zijn (Lc. 12,52-53).

In zijn boek over de Handelingen van de apostelen vermeldt Lucas de vervolgingen die de apostelen en de andere christenen doorstaan. Petrus en Johannes worden in de tempel opgepakt na de genezing van een lamme (Hnd. 4,1-21). Naderhand werden alle apostelen in de stadsgevangenis opgesloten (Hnd. 5,18) en daarna voor de Hoge raad gebracht (Hnd. 5, 27-40). Het geweld nam toe na de marteldood van de diaken Stefanus. Daarin had Saulus een kwalijke rol. “Saulus woedde tegen de kerk, waarbij hij het ene huis na het andere binnendrong, mannen en vrouwen wegsleepte en overleverde om gevangen gezet te worden” (Hnd. 8,3).

Na de ontmoeting met de Verrezen Heer op de weg naar Damascus en zijn doop door Ananias wordt deze vervolger van de christenen de apostel van de heidenen. Hij heeft in die taak veel te lijden gehad en somt dit op in zijn polemiek met christenen in Korinthe: “Ik heb harder gezwoegd, ik heb langer gevangen gezeten, ik heb meer slaag gekregen en ik verkeerde in levensgevaar” (2 Kor. 11,23). Hij heeft volhard en daarom zegt hij of wordt over hem gezegd in de brief aan Timotheüs: “Ik weet wie ik mijn vertrouwen heb geschonken, en ik ben ervan overtuigd dat Hij in staat is om te bewaren wat mij is toevertrouwd tot aan die dag” ( 2 Tim. 1,12).

De mannen en vrouw uit de Handelingen van de Apostelen hebben getuigenis gegeven voor Jezus. Zij hebben hun sterkte gehaald uit zijn woorden: “U zult door iedereen gehaat worden vanwege mijn naam. Maar geen haar van uw hoofd zal gekrenkt worden. Als u volhardt, zult u uw leven winnen (Lc. 21,17-19).

Doorheen de stormen

Omwille van de naam van Jezus kwam in de door Daech ingenomen gebieden op de huizen van christenen de letter N (van Nazarener) en werden ze beroofd en verjaagd.

Wat Jezus zegt in Jeruzalem, had hij al eerder gezegd in Galilea, toen hij daar een talrijke groep van zijn leerlingen en een grote volksmenigte toesprak: “Gelukkig zijn jullie als de mensen je haten, als ze je buiten sluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen omwille van de Mensenzoon” (Lc. 6,22).

Naast het schilderij, dat Lucas in Jeruzalem ophangt over de vervolgingen en de moeilijkheden van de christenen, mag zijn schilderij hangen van de storm op het meer van Galilea. Op hun kreet “Wij vergaan!” stilt hij de storm en roept hen op om te vertrouwen. Door standvastig te zijn zal je het leven winnen. Het zaad dat Jezus uitstrooit draagt vrucht bij hen, die het woord van Jezus met een goed en edel hart aanhoren en vasthouden, door hen die volharden (Lc. 8,15)

Wat Jezus van zijn leerlingen vraagt, heeft hij zelf beleefd. Op de Olijfberg wordt hij gevangen genomen. Hij doorstaat doodsangst. Hij bidt zijn Vader dat hij de lijdenskelk zou wegnemen (Lc. 22;42). Hij komt voor de raad van de oudsten en wordt naar Pilatus en Herodes geleid. Hij geeft geen of nauwelijks een antwoord op hun vragen. Op de Schedelplaats hangt hij aan een kruis terwijl hij uitgelachen wordt door de leiders en bespot door de soldaten. Jezus bidt dat de Vader hen vergiffenis mag schenken en spreekt hij zijn laatste woord uit en bidt: “Vader, in uw handen beveelt ik mijn geest” (Lc. 23,46).

Jezus heeft stand gehouden. Hij mag daarom in zijn gesprek met de Emmaüsgangers op de paasavond zijn leven samen vatten in deze oratorische vraag: “Moest de Messias niet zo lijden en dan zijn heerlijkheid binnengaan?” (Lc. 24,26).

In de grote Apocalyps sterkt de ziener op Patmos de christenen tijdens de vervolgingen in het Romeinse rijk. Hij vertrouwt erop dat zij in witte gewaden voor de troon van het land zullen staan. “Wie zijn dat die in witte kleren en waar komen ze vandaan?”. “Dat zijn zij degenen die uit de grote verdrukking komen, die hun kleren hebben gewassen in het bloed van het lam” (Apoc. 7, 14).

Wie volhardt en overwint, ontvangt een wit steentje, met daarop een nieuwe naam, die niemand kent dan hij die hem ontvangt (Apoc. 2, 17).

We weten niet wat de volgende maand en het volgend jaar ons brengt. Angst is daarbij geen goede begeleider. Vertrouwen brengt ons verder.

Ik zei tot de engel, die aan de poort stond van het nieuwe jaar:

"Geef mij een licht, opdat ik met vaste tred het onbekende kan tegemoet gaan "

Maar hij gaf als antwoord:

"Trek op in de duisternis en leg jouw hand in de hand van God!

Dat is beter dan licht en veiliger dan een bekende weg."