Gouden professie br. Frans (2007)

Vanouds heeft de feestdag van Martinus heel aansprekende lezingen uit de Schrift: uit de profeet Jesaja over het gezalfd zijn om aan de armen de blijde boodschap te brengen, en uit het evangelie volgens Mattheus over de werken van barmhartigheid: de naakten kleden, waarbij ons als vanzelf de jonge officier Martinus voor ogen komt, die zijn mantel deelt met een bedelaar, de mantel die hem zwierig omhult, de mantel die hem ook moet beschermen in koude nachten. Naar aanleiding van die lezingen kun je eens goed uitpakken op een kloosterfeest.

De liturgie geeft ons vandaag evenwel de lezingen uit de cyclus van de 32e  zondag van dit jaar, een liturgische cyclus die binnenkort weer uitloopt op een nieuwe advent. Het gaat dan ook over de laatste dingen, over toekomst, over opstanding en eeuwig leven.

Die thema's worden aanschouwelijk gemaakt in beelden die minder aanspreken,  - althans mij komen ze over als nogal heftig - , die beelden. Zo bekoren ze  wellicht niet, maar overtuigen doen zij wel. Overtuigender kan het geloof in Gods Voorzienigheid en in de beloning voor een leven volgens zijn geboden wel niet worden uitgedrukt dan door het heldhaftig offer van hun leven dat de zeven broers uit het Tweede Boek van de Makkabeeën brengen. Het verhaal wordt pathetisch gedaan, maar indrukwekkend is het zonder twijfel.

In schril contrast met die rotsvaste overtuiging staat de sceptische houding van de Sadduceeën die niet geloven in een verrijzenis it de doden. Zij denken dat iemand enkel kan voortleven in zijn nageslacht. Ook Lucas voert zeven broers ten tonele.

Ook zij sterven, de een na de ander. Niet als martelaar, maar na tevergeefs te hebben getracht nageslacht te verwekken, “zaad tot opstanding te brengen” staat er letterlijk, met een fijne woordspeling op de Opstanding uit de doden. Twee zienswijzen op de toekomst staan zo tegenover elkaar: leven de doden voort via de wetten van de biologie, in hun nageslacht, via de soort? Aldus de Sadduceeën, met hun redelijke, maar eigenlijk totaal binnenwereldse kijk op de dingen.

Of mogen we geloven dat er een toekomst voor de mens is bij God, wiens arm verder reikt dan wat voor ons inzichtelijk en beredeneerbaar is, en wiens betrokkenheid op het geluk van de mens garant staat voor heil, ook in de menselijk meest uitzichtloze situatie?

Voor beide zienswijzen staan zeven getuigen opgevoerd. Voor de jubilaris van deze dag, de man die voor ons de cijfers bijhoudt, mag daarbij wel even worden stilgestaan. Zeven dat is voor de bijbels denkende mens het getal van de volheid.

Zeven dat is de som van het eerste deelbare en het eerste ondeelba­re getal. Als de Schrift zeven voorbeelden geeft dan wordt daarmee gezegd, meer is niet nodig, hiermee is alles gezegd.

Jezus mag dit probleem oplossen. En Hij ontkent niet de logica van deze wereld, de wetten van de natuur. Hij laat ze in hun waarde. De kinderen van de wereld leven ze na.  En, zo hoorden we twee dagen geleden nog in de parabel van de onrechtvaardige rentmeester, de kinderen van deze wereld handelen onderling vaak met meer overleg dan de kinderen van het licht. Maar die laatsten mogen hun vertrouwen stellen op de wereld van God, want als kinderen van God is voor hen de verrijzenis weggelegd, eeuwig leven. En Jezus verwijst naar de geloofsuitspraak van Mozes, die over God spreekt, als de God van Abraham, van Isaäk, en van Jacob. De God van de drie patriarchen van Israël: drie: weer zo´n heilig getal. Voeg je deze drie getuigen bij de zeven Makkabeese martelaren, dan komen we tot tien, en daarin is, volgens kerkvader Gregorius de Grote, de volmaaktheid gegeven.

Tien getuigen voor de opstanding, voor de betrouwbaarheid van de levende God.

Zulke argumenten zullen de een meer aanspreken dan de ander. Wat wezenlijk is, en waarom het gaat, dierbare zusters en broeders, dat is wat de kern vormt van wat Jezus leert: er is een leven na dit leven, of beter, ons leven gaat door, ook als ons lichaam sterft, omdat God ons kent en draagt.

Onze jubilaris van vandaag beleeft dit mysterie in zijn omgang met de wondere wereld van het vlinderrijk: de rups die voor het oog dood en begraven is in zijn cocon, maar daar uitbreekt als een vrije vlinder die opstijgt naar het licht. De vlinder, archetype van de ziel (de Grieken hebben voor de twee hetzelfde woord psyche) die verliest om te winnen, die dankzij een transformatie, een transfiguratie of en metamorfose vleugels krijgt en vederlicht de bloemen opzoekt, in een kleurenpracht die dikwijls niet onderdoet voor de mooiste bloemen.

Zo wacht ook de mens die verlangt naar God een nieuwe toekomst. Hoe die zal zijn gaat ons voorstellingsvermogen te boven.

Zij die waardig gekeurd zijn om deel te krijgen aan die andere wereld zullen als engelen zijn, zegt de Heer.

In onze samenleving bepalen moderne Sadduceeën meestal de toon. Mensen die loochenen dat er een verrijzenis zal zijn. En meer dan dat wordt ontkend: niet alleen het geloof in de verrijzenis van de doden, alle geloof in God, en in de zin van het leven heeft voor deze mensen afgedaan. Christenen daarentegen blijven vertrouwen op het getuigenis van de Schrift. Dank zij dat geloof is er vreugde in hun bestaan, ondanks alle zorg en pijn. Het leven heeft zin, het heeft een doel, het heeft toekomst.

Om dat geloof uit te diepen, te funderen, is reflectie nodig, studie. Maar dat is niet genoeg. Daarnaast dient het daadwerkelijk te worden beleefd en gevoed in een leven dat eraan beantwoord. Alleen zo wordt het echt geloofwaardig.

In het leven van benedictijner monniken wordt dit geloof beleefd en gevierd. Je kunt er op adem komen, je vindt er bezinning en oriëntatie, je mag er luisteren naar Gods woord dat spreekt in de Schrift, je mag het leven delen met gelijkgezinden, ondanks alle verschil van karakters en belangstelling, ondanks fouten en gebreken. Ten diepste vormen monniken een gemeenschap van broeders.

Br. Frans, u viert vandaag uw gouden jubileum als monnik. In fysiek opzicht heb je bijna meer tegenslagen te verwerken gekregen dan de rest van de communiteit samen. Dat heeft je een sterke band gegeven met de natuur. U bent geaard, en staat met beide voeten stevig op de grond. De stok geeft nog extra steun, en helpt misschien zo om voeling te houden met moeder aarde.

Maar de andere wereld, de wereld van Gods kinderen, verlies je daarbij niet uit het oog. In de liturgie beleef je de rijkdom van ons geloof, en je voedt je gebed met het beschouwen van de wonderen van de natuur. De schoonheid daarvan maakt je niet blind voor de hogere werkelijkheid, maar spreekt juist daarvan. Moge jouw leven een sprekend getuigenis blijven voor velen, en moge je nog goede jaren ten deel vallen. Dat zo de goedheid en mensenliefde van onze God zichtbaar mag blijven in deze wereld.