32e zondag door het jaar C (1998)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 201 niet laden
Een mens is een kind van de toekomst. Dat klinkt u misschien wat vreemd in de oren. Meestal wordt er immers gezegd: de mens is een kind van het verleden. En dat is de mens natuurlijk ook. Elke mens heeft zijn wortels in zijn verleden, in zijn ouders, in zijn voorouders, in alles wat er voorgevallen is in zijn en in hun leven. Elke mens wordt voor een groot deel bepaald door zijn voorgeschiedenis, die draagt hij in zich mee: het maakt hem tot de mens die hij nu is. En tegelijk: de mens is veel meer dan een product van het verleden. Hoezeer dat verleden zijn leven ook kleurt, de mens is wezenlijk een kind van de toekomst. Zijn toekomst, wat hij ziet als zijn toekomst, dat is het dat de mens in beweging zet, zijn leven en werken zin en inhoud geeft, moet geven. Hierdoor juist staat de mens boven heel de rest van de schepping die alleen maar door het verleden bepaald wordt: de mens echter kan doelbewust en in vrijheid werken aan zijn toekomst. De mens heeft het vermogen om, tot zekere hoogte althans, zichzelf te vormen, te maken, en dat in het licht van zijn toekomstverwachtingen. En de mens droomt van een goede toekomst. De mens is in wezen een gelukszoeker, hij heeft een onverzadigbare honger levensvervulling en levensvreugde. Dat houdt hem in beweging, dat geeft steeds weer richting aan zijn leven en werken. En het geluk dat hij zoekt ligt niet in het verleden maar in de toekomst. De mens kan vele blije herinneringen bewaren aan wat hij beleefd heeft, maar van blije herinneringen alleen kun je niet zinvol leven. De mens kan ook heel veel leren van zijn voorgeschiedenis, van wat hij zelf meegemaakt heeft, maar ook van die grote geschiedenis van zijn voorouders. Maar toch is het de toekomst die zijn leven hier en nu zijn zin moet geven. Nu heeft de toekomst altijd iets vaags, iets onzekers. Geen mens kan vooruit kijken, niemand kan de dingen zien die komen. Hoe de toekomst eruit ziet weet geen mens en toch leeft in ieder, diep ingeworteld in zijn hart, de hoop dat de toekomst goed is, veel goeds brengen zal, en dat het de moeite waard is zich voor die toekomst in te zetten. Een mens die geen toekomst ziet, of alleen maar een slechte, zo'n mens heeft geen leven, leeft ook niet echt. De mens is een kind van de toekomst: Weten dat hij toekomst heeft maakt het leven hier en nu de moeite waard. En dat betreft niet alleen die nabije toekomst, onze aardse toekomst, maar ook die toekomst die verscholen ligt achter onze aardse grenzen. Onze aardse toekomst kunnen we al niet kennen, nog minder weten we van die andere toekomst, die we hemel noemen, eeuwig leven. Hoe dat zal zijn, geen mens kan zich dat voorstellen, maar ook hier leeft die hoop dat het goed is, heel goed zelfs, hemels. De mens is een kind van de toekomst omdat hij een kind van God is, in God ligt de oorsprong maar ook de toekomst van elke mens.