32e zondag door het jaar C (2007)

"Er kwamen enkele Sadduceeën naar hem toe."
Sadduceeën, dat was in de tijd van Jezus een groep gelovige joden die alleen de eerste vijf boeken van het Oude Testament, de boeken van Mozes, de Thora, als door God geïnspireerd erkenden. Alle boeken van later, de profeten, de psalmen, dat alles deden ze af als nieuwlichterij. Alleen die eerste vijf boeken van Mozes komen van God, en alleen wat daarin staat is waar.
En in die eerste en oudste boeken van het Oude Testament wordt inderdaad niet rechtstreeks gesproken over een leven na de dood, over verrijzenis. Dat is opmerkelijk: Blijkbaar hebben onze joodse voorouders lang in God kunnen geloven zonder zich erg druk te maken over wat er na dit leven zou gebeuren. Hun leven was een leven met God hier op aarde, en dat was genoeg.
Maar er komt een moment waarop dat niet meer genoeg is, en de vraag wat er met mensen gebeurt als ze overlijden, wel gesteld gaat worden. Je ziet dat gebeuren in die nare eerste lezing die we net gehoord hebben. Het joodse volk is opnieuw onder een vreemde heerser gevallen: Antiochus IV van Syrië heeft na de dood van Alexander de Grote Israël onder de voet gelopen (we zitten dan rond het jaar 175 voor Christus), en in tegenstelling tot Alexander vindt Antiochus dat hij het geloof van de joden met wortel en tak moet uitroeien. Hij doet dat door de joden te dwingen hun gelovige gewoontes en rituelen op te geven. In de eerste lezing hoorden we hoe zeven zonen van een moeder gedwongen worden onrein vlees, varkensvlees te eten. Ze weigeren, en komen één voor één op een gruwelijke manier aan hun einde.
Dat op zich is, hoe gruwelijk ook, niet bijzonder. Steeds opnieuw worden mensen vervolgd omwille van hun geloof en hun overtuigingen. Als je naar de geschiedenis van onze kerk kijkt zie je dat wij als christenen daar ook vaak deel aan gehad hebben, zowel als daders, als als slachtoffers, tot op de dag van vandaag. Nee, wat bijzonder is in die eerste lezing, is wat de zoons zeggen voor ze sterven: De barmhartige God zal mij opwekken tot een nieuw leven", zegt de een. "Van God heb ik dit lichaam gekregen. Omwille van God doe ik er nu afstand van, in het vertrouwen dat God het me ook weer terug zal geven," zegt de ander. En je snapt dat: Wat hier gebeurt is zo onrechtvaardig, gaat zo dwars in tegen alles wat de bevrijdende God voor zijn volk gedaan heeft, vanaf de uittocht uit het slavenhuis van Egypte af, dit onrecht kan het laatste woord niet hebben. Bij die God kan het verhaal van de mens niet zo aflopen, maar komt er iets nieuws, een nieuw leven bij hem. Daar zie je, vanuit de nood van de broers, verrijzenisgeloof ontstaan.
Dat is sindsdien van generatie op generatie doorgegeven. En in de tijd van Jezus, zo'n 200 jaar na deze Makkabeeënbroers, gelooft eigenlijk iedereen in het joodse volk in een verrijzenis. Iedereen? Nee, niet iedereen, de Sadduceeën dus niet. Zij zeggen: Dood is dood, dood en begraven, einde verhaal.
Ik lees dat, en ik denk: Eigenlijk zijn die Sadduceeën overal om ons heen, goede God: Zo veel mensen die niet voorbij de grenzen van de dood kunnen hopen, die het verlangen dat de dood het laatste woord niet heeft, niet durven of willen toelaten. Soms betrap ik mezelf er ook op, God: Is het niet allemaal wat te mooi bedacht? Durf ik mij daar wel aan toe te vertrouwen? Dan spreekt de Sadduceeër die in mij woont.
De Sadduceeën zijn ervan overtuigd dat met de dood alles ophoudt. En als ze hierover met Jezus in gesprek gaan, doen ze nog iets wat je ook vandaag de dag keer op keer ziet gebeuren bij mensen die het geloof aanvallen: Ze maken eerst een karikatuur van het geloof van de ander, en gaan vervolgens die karikatuur aanvallen. Als je de razend populaire boeken leest van de atheïst Richard Dawkins , zie je dat steeds gebeuren: Eerst de positie van de gelovige verdraaid voorstellen, en dan die misvormde voorstelling aanpakken.
De Sadduceeën doen het ook zo: Ze komen met een absurd voorbeeld. Een vrouw is getrouwd, maar voordat ze kinderen kunnen krijgen, overlijdt de man. Nu staat er in de joodse wet, dat dan de broer van de overleden man met de weduwe moet trouwen, en met haar kinderen moet krijgen, opdat het eerste huwelijk niet vruchteloos blijft: Het verhaal van God met de mensen moet door, van generatie op generatie, en dan is kinderloos blijven ongeveer het ergste wat je kan gebeuren.
Maar wat, vragen de Sadduceeën, als er nu zeven broers zijn, en ze allemaal één voor één de weduwe trouwen maar sterven voor er kinderen kunnen komen? Wie is dan straks bij de verrijzenis, de echte man van deze vrouw? Wil de ware echtgenoot opstaan...?
Jezus geeft een dubbel antwoord. Het eerste is dat hij het plaatje van de hemel dat de Sadduceeën hier gebruiken, onderuit haalt: Ze weten eigenlijk te goed hoe de hemel eruit ziet, hebben er een veel te concreet beeld van. Het huwelijk is er voor op aarde, om te zorgen dat de liefde tussen man en vrouw een vorm kan vinden waarin beiden verantwoordelijkheid voor elkaar willen dragen, en om te zorgen dat als er kinderen komen, die kinderen niet alleen een moeder zullen hebben, maar ook een vader die zijn verantwoordelijkheid neemt voor de kinderen die hij verwekt heeft. Als zodanig heeft het huwelijk een belangrijke plaats in ons leven. In de kerk vieren we het zelfs als sacrament, als een van de meest zichtbare tekens die we hebben van God. Als twee mensen met elkaar trouwen, zeggen we tegen hen: In jullie liefde, in hoe jullie met elkaar omgaan en voor elkaar zorgen, zien we iets van de liefde die God voor ons allemaal heeft.
Maar dat betekent niet, dat het er in de hemel precies zo aan toegaat als op aarde: Het betekent niet dat je je de hemel moet voorstellen als een voortgezette aarde: Alles gaat gewoon door, hooguit een stapje gelukkiger. Hoe de hemel eruit ziet, weten we niet. En omdat we het niet weten, maken we beelden, metaforen. Daar is op zich niets mis mee, zolang je je maar blijft realiseren dat het beelden zijn, onze beelden bij iets waarvan we eigenlijk niet weten hoe we het ons moeten voorstellen.
Zo begint Jezus met te zeggen dat het voorbeeld van de Sadduceeën niet deugt: veel te letterlijk, veel te aards gedacht. Maar Jezus voegt er een tweede opmerking aan toe. Hij legt het voorbeeld van de Sadduceeën terzijde, maar gaat wel in op hun vraag.
En hij komt ze daarbij tegemoet in hun voorwaarden, door ze te herinneren aan een tekst die zij wel erkennen, namelijk een tekst uit de eerste vijf boeken van de bijbel. Daar wordt God toch "de God van Abraham, Izaäk en Jacob" genoemd? Is dat niet een gekke benaming, als je gelooft dat die drie dood zijn en begraven, einde verhaal? God is een God van levenden, en niet van doden. En God is de God van Abraham, Izaäk en Jacob, van Sara en Rebecca, Lea en Rachel: Als God zich zo bekend maakt aan ons, Ik ben de God van Abraham, de God van Izaäk, de God van Jacob, dan moeten deze mensen wel verrezen zijn, al weten we niet precies wat we ons daarbij moeten voorstellen.

Het vaste vertrouwen op de God van de uittocht brengt Jezus zo vandaag tot de overtuiging dat God mensen trouw blijft, tot over de grenzen van de dood heen. God vergeet onze namen niet, ook niet als mensen voor ons verdwenen zijn achter de ondoordringbare gerenzen van de dood. Want niemand valt, of hij valt in Gods handen.
Onze nieuwsgierigheid naar wat er na de dood komt, wordt niet bevredigd. Ons verlangen om de dingen zeker te weten en precies te kunnen beschrijven ook niet. Wat we hebben is de overtuiging van Jezus, zijn vertrouwen op de God die hij zijn Vader noemde. En we hebben het geloof dat Jezus uiteindelijk aan zijn eigen lijf heeft ervaren dat hij niet terecht is gekomen in het graf van `alles is voorbij'. Ook hij viel in de handen van de levende God, en is opgewekt uit de dood.
Wie zich aan dat geloof durft toe te vertrouwen, kan met een gerust hart afwachten hoe we straks zullen zijn als we bij God zijn: Dat ligt in Gods handen, en het zou nergens beter kunnen liggen.

"God is geen God van doden, maar van levenden, want bij hem zijn allen in leven."
Zoals R. Dawkins, God als misvatting ( The God delusion ).