32e zondag door het jaar C (2007)

 We leven in een moderne tijd waarin alles moet kunnen voor God, vinden veel mensen. Laten we daarom het evangelie eens modern vertalen.

Willem was getrouwd met Bianca. Samen hadden ze twee kinderen, Tom en Fleurtje. Na vijf jaar gingen Willem en Bianca knetterend uit elkaar. Maar Willem trof na een half jaar Moniek (met twee kinderen uit een eerder huwelijk) en Bianca trof Fred, en beiden trouwden opnieuw. Willem en Moniek kregen samen weer een zoontje, Mick, en Bianca en Fred kregen een tweeling na een ivf-behandeling van een donor, want Fred kon geen kinderen krijgen. Maar o wee, ook deze twee huwelijken liepen op de klippen en nu trof Willem Pien, moeder van drie dochterjes, en Bianca trof Niek, die net gescheiden was van Petra die lesbisch bleek te zijn, en een zoon had. En-zo-voorts. Wij komen ze tegen, bij doopsels en communies, hoor, zo fictief is het allemaal niet, die ‘gezinnen’ met een heleboel kinderen van verschillende ouders. Het is zó gewoon dat je er bijna niks meer van mag zeggen.

Een paar jaar geleden was het in de mode om niet te weten wat er na dit leven komt, want er móest wel iets zijn. En nog iets langer geleden werd je als goedbedoelende christen nogal eens getrakteerd op allerlei half-oosterse reïncarnatietheorieën. Allemaal weer hopeloos uit. Nu is er iets anders ‘in’. De zekerheid dat we elkaar weerzien. De hemel-reünie.

Even heb ik gedacht: wat fijn, dat mensen weer zo sterk geloven in de hemel. Maar geloven we in de hemel als iemand zegt: “Ik weet zeker, pastoor, dat ons moeder ons vader heeft zitten opwachten. Nu zijn ze weer bij elkaar, en zitten gezellig samen naar ons te kijken, met hun kopje koffie en hun sigaretje.” Nee, ik verzin dit niet zelf…

Het is goed dat mensen weer willen geloven dat er een hemel moet zijn. Het tegendeel, dat mensen er in hun leven wel eens zo’n zooitje van kunnen hebben gemaakt, dat ze zich daar helemaal niet thuis voelen – een zelfgekozen hel – dat hebben we verstopt, ver weg. Wat er in dit leven ook aan ruzies, ellende of haat geweest is – in die hemel is dat voorbij. Pais en vree. Plaats voor iedereen, zo willen we geloven. Ja, dat willen we. Maar is het ook zo?

Ik ben benieuwd hoe dat in die moderne reünie-hemel gaat zijn met Willem en Bianca. Wie gaat er nu in de hemel bij elkaar zitten? Toch samen op de koffie omdat ze het sacrament van het huwelijk samen ontvingen, of niet, na al die ruzies die hen uit elkaar dreven? Dat is de moderne vraag naar aanleiding van het evangelie deze zondag. En als de kinderen uit al die relaties er achteraan komen, bij wie gaan die dan gezellig zitten? Bij hun biologische ouders, of bij de stiefmoeder, of de laatste vriend van mama? Waar blijven we met al die hemelse gezelligheid?

Misschien vindt u dat ik vandaag wel erg ver ga. Maar dit alles omdat we Jezus vandaag horen verkondigen hoe dwaas al die menselijke voorstellingen zijn. Zonder de schok van de confrontatie met onze moderne relationele waanzin, zitten we waarschijnlijk weer helemaal niet te luisteren en gaan we gewoon door met onze eigen ideeën over de hemel. Want laat dus duidelijk zijn: wij geloven als Kerk in een gemeenschap der heiligen en dat zijn de mensen die zullen verrijzen. Degenen wiens ziel een nieuw lichaam krijgen bij de Wederkomst van Christus en die samen God zullen aanbidden. Samen met moeder Maria en alle heiligen.

Het grote misverstand is dus, dat het in de hemel gaat om elkaars weerzien. Dat is niet zo. De liefde voor de dierbaren op aarde, en zeker in het huwelijkssacrament, is beeld van de Liefde in God, en niet omgekeerd. Wij komen in de hemel voor God in de eerste plaats, en voor Christus de Koning, om in hún Liefde te delen. Dat doen we samen met de anderen die daar mogen zijn. We doen dat samen met de engelen die daar altijd al leven in die liefde. Natuurlijk zien we daar in die éne gebedsrichting onze dierbaren weer, als zij daar mogen zijn. Daarom voelen sommigen de ziel van een dierbare ook zo sterk tijdens de Eucharistie. Want dan heb je een voorproefje van wat de hemel gaat zijn. Maar het weerzien is zonder koffie en sigaretjes – we zijn immers als engelen, zegt Jezus, en die leven niet zoals mensen dat doen.

Maar een tweede misverstand is helaas ook, dat iedereen wel in de hemel komt. Het moet maar eens gezegd worden. Jezus zegt: “wij moeten waardig gekeurd worden.” Alle mensen die niks met God hebben en dat ook niet willen, zullen zich aan de hemelpoort net zo thuis voelen als nu aan de kerkdeur. De H. Pater Pio heeft gezegd: “Er is geen paradijs zonder God.” Zo is het. Wie nu tijdens het leven op aarde niets wil weten van het liefdesaanbod van God, zal die het straks opeens wel willen? Sommigen willen wel, maar moeten eerst weer naar school, leren bidden. Zij gaan even naar de wachtkamer om waardig te worden. Wij mogen natuurlijk best hopen dat er veel mensen in de hemel zijn, maar eerlijk is eerlijk: als we iedereen daar zouden weerzien, heeft God sommigen wel érg overtuigd van een werkelijkheid die men op aarde ab-so-luut niet wilde… dat vind ík nou ongeloofwaardig.

Wat geloven we dan wel? De verrijzenis tot kinderen van God. Aangenomen in de liefde van de Vader. De God van levenden. Daar gaat het om. Dat we allen samen in de hemel de ene Vader beminnen en aanbidden. Dat we op die manier een gemeenschap van heiligen en engelen zijn. Gerechtvaardigd door Christus, onze Verlosser. De rest is dan echt niet meer zo belangrijk – we zullen geen behoefte hebben aan koffie en gezelligheid.

Hoe weet de pastoor dat allemaal, zullen sommigen denken. Anderen zullen denken: praat maar, ik geloof het tóch op mijn eigen manier.

Laten we één ding helder hebben. Wéten doet niemand het, hoe die hemel er uit ziet. Ik niet en u niet. Maar ik heb in elk geval het voordeel dat het precies is zoals de Kerk het al 20 eeuwen gelooft en de getuigenissen van de heiligen die op die manier ons mensen helpen – bínnen die ene Kerk – geven ons in elk geval wel meer dan het voordeel van de twijfel. En dat heeft iemand die zijn eigen theorie aanhangt niet. We kunnen dan vasthouden aan een eigen menselijke voorstelling, maar de kans dat u krijgt wat u denkt is kleiner dan de jackpot van de staatsloterij. U mág dat geloven, maar ik zou in uw plaats daar meteen mee ophouden.

Ik blijf daarom trouw de geloofsbelijdenis bidden die we dadelijk allemaal bidden, en ik méén het, die laatste zin: “ik geloof in de verrijzenis van het lichaam en het eeuwig leven”. Niet met menselijke voorstellingen, maar omwille van de liefde van de ene God, de almachtige Vader, de Zoon die voor ons is gestorven en verrezen, en de H.Geest die Heer is en het leven geeft. Mijn vaste hoop is, die Drieëne God weer te zien na dit leven. En verder alleen degenen die vrienden wilden zijn van die ware God. Amen.