Een God van levenden (2007)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 121 niet laden
* De pas beluisterde scène van Jezus met zijn rivalen (Lc 29,27-38) gebeurde pas nadat Hij reeds op Palmzondag in Jeruzalem zijn koninklijke intrede had gedaan, de tempel plechtig was binnen getreden, en het huis van zijn Vader van de kooplui had gezuiverd.  Dat bleef  niet zonder reacties.

* De reacties kwamen op Jezus af onder de vorm van drie discussievragen om Hem te strikken.

1.   De twistvraag die Hem vandaag wordt gesteld is de topper van deze drie:

(a) Na de tempelreiniging was eerst de vraag opgedoken naar Jezus’ bevoegdheid om zich zulk optreden te veroorloven (Lc 20,1-8). Als antwoord had Jezus zijn tegenstanders zelf de vraag gesteld naar de bevoegdheid waarmee Johannes de Doper eerder was opgetreden. Die was voor het publiek ontegenzeggelijk met Gods gezag. Jezus nu werd erkend als groter nog dan de Doper.

(b) Dan werden spionnen naar Jezus gestuurd met de strikvraag of men de keizer belasting moest betalen (Lc 20,20-26). Zijn ja of nee zou Jezus onvermijdelijk in een aanvechtbare positie voeren. De uitdagers hadden zichzelf al bezondigd door de heidense keizermunt aan te raken. Jezus zei toen fijntjes dat men de keizer moest geven wat de keizer toekomt, en God wat God toekomt.

(c) En nu barste het los rond de derde, een brandende actuele theologische vraag, waarover bij de Joden toen geen eensgezindheid bestond: de vraag over de verrijzenis der doden (Lc 20,27-38).

- De dodencultus bij alle cultuurvolkeren wees op een algemeen geloof in een voortleven na de dood. De voorstellingsmodellen waren uiteenlopend tussen Perzen, Babyloniërs, Egyptenaren en Grieken… Onder de Joden leefde discussie. De Farizeeën en met hen de meeste rabbijnen, sloten aan bij de jonge traditie van de Makkabeeën: zij geloofden in “de opstanding der doden”. De Sadduceeën, de aristocraten van de starre wet, verwierpen deze verrijzenis. Dat zou de absurde terugkeer betekenen van de ziel in de gevangenis van het lichaam. Een soort reanimatie. Te gek om waar te zijn. - Met dit ongeloof zou ook Paulus later geconfronteerd worden op de Areopaag in Athene. En zulke reacties leven ook bij ons, vandaag. - Zij aanvaardden enkel een vaag en troosteloos hiernamaals in de “Sheol” (de onderwereld). Bij de Joden bestond nog de oude Leviraatwet. De broer van een overleden man moest zijn weduwe huwen om hem een nageslacht te geven. Dat was voor hen het echte gelukkig voortbestaan: op aarde. Zij komen nu bij Jezus met een ongehoord geval: Wie is bij de opstanding de man van de weduwe die tot zeven maal huwt ?

- Het antwoord van Jezus is klaar. Het huwelijk is enkel in dienst van de voortplanting in deze wereld. Wat ons wacht is van een totaal andere orde. Onvoorstelbaar. Jezus zegt gewoon:  de overledenen zijn er als “engelen en kinderen van God”. “Ze zijn onsterfelijk” vult Lucas aan voor zijn Grieken. Dat betekent: ze leven voortaan in een andere dimensie, waarvoor we geen woorden hebben. Paulus zegt: “Geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, en in geen mensengeest is opgekomen,  wat  God bereid heeft voor wie Hem liefhebben… wie Hem liefhebben (!)” (I Kor 2,9).

2.  Hiermede klinkt Jezus het verrijzenisgeloof vast aan het bijbelse Godsbeeld.

- Jezus verwees de Saducceeën, die zich graag op Mozes beriepen, naar de tekst uit Exodus 3,6 waar God bij het doornbos zichzelf noemt: “de God van Abraham, de God van Izaak, de God van Jacob”. Deze aartsvaders waren toen al lang gestorven. Maar als God nog altijd hun God blijft, en zich dus met hen verbonden weet, is het omdat zij steeds voor Hem nog in leven zijn:  “Hij is een God van levenden en niet van doden”. Hij is een God van relatie, die de mens gedroomd heeft als zijn spiegelbeeld en klankbord. Hij wil de mens niet meer loslaten. Hij schenkt hem zijn Leven.  

-  Met Jezus bereiken we de laatste fase van de lange geschiedenis van de zelfopenbaring van God. Eerst is Israël het unieke volk geweest dat de leugen en de ijdelheid van de veelgoderij in de omringende wereld geleidelijk heeft ontmaskerd: “Hun godenbeelden zijn zilver en goud, maaksel van mensenhanden. Ze hebben een mond en spreken niet, ze hebben ogen en zien niet, ze hebben oren en horen niet…” (Ps. 115,4-7). Over Abraham heen was men uitgesproken bij Mozes tot de belijdenis van de onnoembare ene God gekomen, die van zichzelf zei: “Ge zult gaandeweg ervaren wie Ik ben”. De verkondiging van het geloof in één God is de opdracht geweest waarmee het Godsvolk eeuwen lang heeft geworsteld.  De tweede stap was dat deze God de God is van een liefdeverbond. God wil leven tegenover zijn volk en tegenover heel de mensheid in de liefdeverhouding van een Bruidegom tot zijn Bruid. En de laatste stap is dat het leven van die Bruid afhangt van haar liefde, haar doorleefde trouw, en haar geloof in de Bruidegom. Pas dan mag de Bruid delen in zijn leven. Zij kan slechts leven door zijn leven. Het is voor haar een zaak van zijn of niet zijn, haar “overlevingskans”, haar eeuwig leven. Verrijzenis is herscheppende Godrelatie

* Dit is Jezus met zoveel klem ons komen inhameren: “Wie gelooft in Hem die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven” (Joh. 5,24). Het eeuwig leven is dat wij de Vader kennen, in zijn intimiteit leven (Joh 17,3). Juist daarom moeten we nu reeds met Hem leven in Christus: “Wie in Mij gelooft, zal leven… En iedereen die leeft in geloof aan Mij zal in eeuwigheid niet sterven” (Joh 11,25; 3,36).