Hemelse trouw

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Ze komen naar hem om over de verrijzenis van het lichaam te praten. Hoewel, dat was natuurlijk niet echt de bedoeling. Ze komen om hem vast te zetten. Het gesprek dat zich ontwikkelt is een van de interessantste discussies in Lucas’ evangelie. Het gaat niet alleen over de verrijzenis, maar ook over leven na de dood, en hoe ge­trouwde mensen zich dan tot elkaar verhouden. Intrigerende kwes­ties voor iemand die zegt van God te komen, en die bovendien niet getrouwd is, en daarom uit eigen menselijke ervaring maar weinig kan zeggen over de mystiek van de lichamelijke menselijke verbon­denheid.

Het is nu alweer bijna dertig jaren geleden dat ik als jong priester de communie bracht aan een stokoude bedlegerige weduwe op een oude Brabantse boerderij, die nu al lang niet meer bestaat. Ze lag op een groot houten ledikant in de wat zure boerderijlucht van melk, aarde en mest. Boven haar bed hing een levensgroot portret van haar stuurs, recht in de lens kijkende, gestorven echtgenoot. Het was geen scherpe foto, wat vaag en geel, en in de loop der jaren wa­ren tientallen donderbeestjes door de houten lijst tot midden op zijn gezicht doorgedrongen. De laatste keer dat ik haar voor haar dood de communie met het oliesel bracht, wees ze met haar al bijna dode vinger naar die foto, en zei met haar brekende stem, dat ze op weg was naar hem. Hij was voor haar de hemel. Ze wilde weer innig en intiem samen met haar man zijn, zoals ze tijdens haar leven door extase, trouw, vreugde en verdriet heen met hem samen gegroeid was. En dat voorgoed. Daar doet geen enkele theoloog, bisschop of paus wat aan.

Ze was daarbij - zonder dat te weten, of zonder er ook maar in het minst in geïnteresseerd te zijn - in goed gezelschap. De filosoof Jean Guitton, 84 jaar oud, vertelde in 1985 bij een interview in het Franse literaire tijdschrift Lire, dat als liefde een paar in vuur en vlam zet, de grenzen wegvallen. Ze verlaten dan elkaar omhelzend even­tjes deze wereld om een ‘voorproef’ (pré-expérience) te hebben van hun toekomstig verrezen leven. Een kerkvader als Johannes Clima­cus is het daarmee eens. Om maar niet eens te spreken van aller­hande niet-westerse intuïties op dit gebied.

Toch is er hier een moeilijkheid, vinden de mannen die naar Jezus komen. Stel dat een vrouw getrouwd was met zeven mannen - of in dat Brabantse geval, dat ze een weduwe was van meer dan een man - hoe moet dat dan? Zo iemand kan toch niet intiem zijn met zeven mannen tegelijk, en ook niet met zeven op een rij. Zijzelf geloven daarom niet in de verrijzenis. En in hun verhaal maken ze die belachelijk. Wat denkt hij ervan?

Als ze die vraag horen, begrijpen de omstanders onmiddel­lijk waar het om gaat. Vooral de verliefde stelletjes in zijn gehoor, die - ondanks hun interesse in hem - toch niet goed van elkaar af kunnen blijven. Is de trouw, waar die verliefden over dromen, alleen maar iets tijdelijks ‘totdat de dood ons scheidt?’ Jezus kijkt op, en hij kijkt hen aan. En het moet met een ironisch licht in zijn ogen geweest zijn als hij antwoordt: ‘In deze wereld trouw je, dat doe je in die andere wereld niet, omdat daar geen dood meer is.’

Dood betekent verdeling, van elkaar gescheiden zijn. Dat is er straks niet meer. Het verrezen leven is een bij elkaar zijn, niet met één, niet met zeven, maar met iedereen. Hemel betekent niet langer gescheiden zijn van anderen, en niet langer verdeeld zijn in jezelf. Hemel betekent dat Gods kinderen samen één zijn met God. Wij kunnen ons dat moeilijk voorstellen. Maar er zijn wel een paar mo­dellen en beelden van. Jezus - die in onze tekst op dit geloof getest wordt - gebruikt die beelden en modellen onophoudelijk.

We vormen één wijnstok, waarvan alle takken, wortels, blade­ren, bloemen en vruchten samen het éne leven uitma­ken. We vor­men samen één levensboom. We zullen samen aan één bruiloftsta­fel zitten. Hij vraagt ons zelfs om onszelf tot één lichaam te eten, en tot één bloed te drinken. Een voorafbeelding van de intimiteit die na dit leven blijvend, universeel en toch persoonlijk zal zijn. ‘De Heer is toch geen God van doden maar van levenden, want voor God zijn allen levend,’ de God van Abraham, Isaak en Jakob.