De verrijzenis vraagt bescheidenheid

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
De Sadduceeën geloofden niet in de verrijzenis. In deze discussie met Jezus fantaseren ze een absurd voorbeeld om de opstanding uit de doden belachelijk te maken. Ze stellen Jezus de vraag: “Als een vrouw in dit leven met zeven mannen getrouwd is geweest, aan wie behoort ze dan bij de verrijzenis?”

Die Sadduceeën waren niet de eersten en zullen ook niet de laatsten zijn die het moeilijk hebben met de verrijzenis. Ook vele christenen worstelen vandaag nog met de vraag: wat met ons na de dood?

Jezus zegt hier uitdrukkelijk dat de doden zullen opstaan, want God is geen God van doden maar van levenden.

Over het hoe van de opstanding zegt Jezus niets, alhoe­wel Hij duidelijk maakt dat er na de dood andere maatsta­ven zullen gelden. Daar zal men niet huwen, niet sterven. Het eeuwig leven kunnen wij niet beschrijven met aardse beelden. Het is een nieuwe schepping.

Voor Jezus is het vanzelfsprekend dat er een opstanding uit de doden zal zijn, toch houdt Hij zich in de beschrij­ving van het eeuwig leven aan vage beelden. Hij spreekt van een bruiloftsmaal, van leven in overvloed, van ‘bij Hem zijn’. Jezus weet dat menselijke woorden en beelden tekort schieten en ook Paulus drukt het zo uit: “Geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen hetgeen God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben”.

Wij kunnen ook moeilijk anders dan heel bescheiden zijn als wij spreken over het hiernamaals. Wij geloven op het woord van de Heer dat Hij voor ons een plaats bereid heeft om daar voor goed te wonen. Hoe die plaats zal zijn, weten we niet. Er zijn priesters die begeesterd kunnen spreken over het eeuwig leven alsof ze er alles van weten. Als ze even nadenken moeten ook zij evenals alle mensen bekennen: wij weten daarover niets. Er is nog nooit iemand teruggekomen om ons over God te spreken en over het geluk in het hiernamaals. Maar an­derzijds kan ook niemand zeggen: met de dood is alles gedaan. Dat kunnen zij niet weten, ook niet dat er geen opstanding zou zijn. Geloof is de vaste grond van wat wij hopen in Christus, het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen, die ook in het geloof onzichtbaar blijven.

Met de geluksvoorstelling in de hemel moeten wij ook zeer bescheiden zijn. Wat echt geluk betekent is zo ver­anderlijk in het leven van een mens. Als 15-jarige kan men lachen met datgene wat men als 8-jarige als geluk ervaren heeft. Op 40, op 50 of op 70 jaar zal men weer andere gelukservaringen kennen. Op aarde is het ons niet mogelijk een blijvend geluk voor te stellen zoals Jezus ons beloofd heeft. Wij zullen met Christus bekleed worden, delen in zijn leven, er zal geen nacht meer zijn en wij behoeven geen licht meer van de zon, want God zal over ons lichten. Ook al zijn de beelden over het eeuwige leven vaag, daarom hoeven wij niet te twijfelen.

Tenslotte, zoals sterven een heel leven lang duurt, zo verrijzen wij nu reeds elke dag. Door het doopsel treedt de mens binnen in het verrijzenisgebeuren van de Heer. Elke dag zijn wij bezig met verrijzen, telkens als wij kiezen voor het leven en verzaken aan datgene wat naar de dood leidt. Wij moeten trachten hier in dit leven onze levensvervulling zo goed mogelijk te verwezenlijken. Wij wachten niet met gekruiste armen op de komst van het Rijk Gods. Kies steeds het leven hier op aarde, dan zal het goddelijk leven, dat wij nu reeds met Christus delen, in zijn volheid open bloeien…