God heeft het laatste woord

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden
Bij het lezen van dit evangelie, moest ik denken aan die weduwe die drie mannen had overleefd en die we nog niet zo lang geleden begraven hebben. Zij werd begraven bij haar tweede man, hoewel zij steeds beweerd had dat ze van al de drie mannen evenveel ge­houden had. Bij die begrafenis stelden toen enkele mannen ook de vraag: ‘Hoe moet dat nu met die drie mannen van haar, van wie van hen is ze nu?’ Dat waren moderne Sadduceeën, die bewust of onbewust hun twijfels uitspraken over het hiernamaals.

Hoe moeten wij ons dat nu voorstellen die opstanding uit de doden? Moeten wij dan onze vergane botten weer bij elkaar gaan zoeken? En waar moeten al die mensen, die op aarde geleefd heb­ben, een plekje vinden in de hemel?

De fout bij die oude of moderne Sadduceeën zit hem daarin dat zij zich het leven na de dood voorstellen als een verlengstuk van ons aards bestaan, zoals een slapende die ontwaakt en zich dan weer in dezelfde toestand bevindt als voor dat hij sliep. Je mag de mens na zijn dood niet zo primitief voorstellen als een wezen dat eet en drinkt en slaapt en trouwt.

Over het hiernamaals kunnen wij mensen eigenlijk niets zinnigs zeggen, wij kunnen alleen menselijk praten over het hiernúmaals, omdat ons menselijk leven zich hier en nu, in een bepaalde tijd en op een bepaalde plaats, afspeelt, maar bij de dood verlaten wij nu juist deze tijd en ruimte. Voor wat er achter de dood ligt hebben wij geen begrippen meer en die werkelijkheid kunnen wij dan ook nooit onder woorden brengen.

Het geloof in het leven na de dood heeft zijn moeilijkheden voor veel mensen. Wat zij niet kunnen bewijzen, bestaat volgens hen niet. En toch zal de dood niet het laatste woord hebben, op het einde staat Gods woord, dat reeds in den beginne scheppend aan­wezig was en dat levert schenkt, omdat het liefde is.

Misschien is het het beste er maar niet te veel over te praten en maar gelovig op Gods woord te vertrouwen. Kinderen vragen zich ook niet af of hun ouders morgen nog wel voor hen zullen zorgen. Als ze maar met een klein beetje vertrouwen in het leven staan, dan gaan ze daar gewoon van uit. Voor hen is dat vanzelfspre­kend.

Waarom zouden wij ons dan niet door God kunnen laten verras­sen? Dat klinkt misschien allemaal wel naïef, maar zegt ons diepste levensgevoel niet dat het zo zal zijn? Een mens is toch meer dan een steen langs de weg. God laat niets links liggen, God draagt zorg voor het werk van zijn handen. Geen mens is er voor niets geweest en God zal elke mens tot zijn recht laten komen. Niemand wordt door God in het leven geroepen voor de dood.

Daarom zegt Jezus heel duidelijk dat God een God van levenden is en dat Hij aan alle mensen onvergankelijk leven schenken wil. God is geen God van doden maar van levenden en de toekomst van de mens ligt verankerd in het leven van God zelf. De mens hoeft niet terug te keren naar het leven dat hij door de dood verla­ten heeft, door de kracht van Jezus’ verrijzenis mag hij delen in het goddelijk leven.

Dit verrijzenisgeloof heeft iets geweldig dynamisch. Dat zien wij in de eerste lezing, waar zeven broers en hun moeder gemarteld worden. Ze weerstaan hun folteraars, omdat ze geloven in de ver­rijzenis van hun lichaam.

Wie echt gelooft in het hiernamaals, zal zich ook toegewijd kun­nen inzetten voor het hiernúmaals, zal eerbied hebben voor de schepping, voor elke mens. Hij weet dat het de moeite waard is je te weren tegen de dood, hij gelooft dat er iets beters zal komen en dat het de moeite waard is, je daarvoor in te spannen.

God heeft het laatste woord. Daarom bidden wij elke zondag bewust en fier de sobere geloofsbelijdenis: ik geloof in de verrijze­nis van het lichaam en het eeuwig leven. Amen…