Verbondenheid

Ik werd erg getroffen door het laatste vers van de eerste lezing, uit het tweede boek der Makkabeeën. Ik ga u dat laatste vers nog eens voorlezen: "Toen hij op het punt stond te bezwijken, zei hij: 'De dood door mensenhanden wordt begerenswaardig door de hoop die God ons geeft: dat hij ons weer zal opwekken. Voor u zal er echter geen opstanding tot nieuw leven zijn.'" (2 Mak 7,14) Vindt u dat niet vreemd? Wanneer de onfortuinlijke jongeman, gekweld door gruwelijke martelingen, het einde nabij is en zijn laatste aandacht, zijn laatste ademtocht laat gaan naar zijn geloof in de zekerheid van zijn eigen opstanding, kan hij het niet laten daar meteen aan toe te voegen dat zijn beulen vast en zeker niet deelachtig zullen zijn aan diezelfde opstanding tot nieuw leven. Het eeuwige leven is blijkbaar niet aan elk van Gods schepselen gegeven. Nochtans, zou je denken, zijn ook zij geschapen naar Gods beeld (imago Dei).

Ik heb het altijd zo merkwaardig gevonden: wanneer we het hebben over het leven na de dood, over Gods liefde die sterker is dan de dood, dan kunnen we het niet laten om het in één adem ook te hebben over hel en verdoemenis. Geloof in leven na de dood blijkt altijd te moeten samengaan met de overtuiging dat die gelukzaligheid niet iedereen te beurt zal vallen. In gesprekken over leven na de dood valt het mij op dat mensen het zelden hebben over hun eigen leven na de dood. Ik hoor mensen zelden verwachtingen uitspreken over hoe het dan zal zijn, over welke plannen ze dan allemaal hebben, over wie ze allemaal gaan weerzien.

Heel menselijk, zal u misschien overwegen. Wat het mij alvast duidelijk maakt, en waar ik met u naar toe wil, is dat we met de vraag naar het eeuwig leven, het leven na de dood, toch op een heel andere manier omgaan dan met andere vragen. Het is geen vraag zoals alle andere vragen. En dat kan ons misschien op een nieuw spoor brengen.

Om te beginnen: hoe vast we ook overtuigd zijn van de eeuwige gelukzaligheid na de dood, toch is het blijkbaar niet iets waar we naar uitkijken. We maken geen afspraken met geliefde over de dood heen. We zeggen niet 'tot later'. Iets houdt ons tegen. Om een of andere reden lijkt zelfs erover te willen praten ongepast. De eeuwige gelukzaligheid mag alleen in omfloerste termen worden geduid en met de gepaste ernst worden vernoemd. Plannen maken over de grens van de dood heen en ze met anderen bespreken, zoals je met een vakantiecatalogus over een geplande reis naar een mooi, ver land zou doen, zou als zeer choquerend en zelfs heiligschennend worden ervaren. Maar wat moeten we dan met die eeuwigheid? Hoe komt het dat we daar zo snel in vastlopen?

Volgens sommige geleerde personen worstelen we vooral met het begrip 'tijdelijkheid'. We leven allemaal in het besef dat ons leven hier op aarde hoe dan ook van tijdelijke duur is. En, zo houden ze ons dan voor, omdat we niet anders kunnen dan denken in termen van tijd en ruimte, denken we aan eeuwigheid in termen van 'oneindig lange tijd'. Maar, zo houden ze ons voor, eeuwigheid is geen oneindig lange voortzetting van deze tijdelijkheid, maar iets dat losstaat van tijd en ruimte. Eeuwig leven staat buiten tijd en ruimte, buiten de denkkaders die wij kennen.

Mooi is dat. Misschien dat sommige mensen er wat aan hebben. Wat er ook van zij, het is een interpretatie die niet erg aansluit bij de bijbelse denkkaders waarin deze bijbellezingen geschreven zijn. In de Bijbel vind je geen metafysische of natuurfilosofische bespiegelingen over dimensies buiten tijd en ruimte. Het bijbelse eeuwig leven verwijst niet naar een leven "buiten" dit leven. Het gaat niet over een tijdloos leven zonder begin en einde. Het gaat over een nieuw verstaan van het leven, uw leven en mijn leven, hier en nu. Om het in moderne termen te zeggen: het gaat niet over kwantiteit van leven, maar over kwaliteit van leven. Het leven zoals God het bedoeld had, het volle leven. Een leven dat zo goddelijk is omdat het gedragen wordt door een verbondenheid die niet ophoudt bij de dood.

Daarom is het ook dat Jezus in zijn discussie met de Sadduceeën verwijst naar de tekst van het bijbelboek Exodus waar God tegen Mozes over zichzelf spreekt als de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, als een soort eigennaam. Ook al waren Abraham, Isaak en Jakob al lang gestorven ten tijde van Mozes, toch geeft God te kennen dat Hij zich zo verbonden weet met hen, dat zij voor Hem nog altijd in leven zijn. Een verbondenheid die zich uitstrekt naar alle mensen, naar alle schepselen, naar de hele schepping. Dat is de kern van het verhaal van de naam die Hij gemaakt heeft. Een verhaal dat wij blijven verder vertellen. Leven in zijn naam, leven in eeuwigheid, leven in overvloed, eeuwig leven, allemaal bijbelse termen die het hebben over mensen die in elkaar de liefde van God herkennen en erkennen, en zich daardoor met elkaar verbinden. Eeuwig leven in de Bijbel gaat niet over oneindigheid, maar over kwaliteit van leven. Zo treffend verwoord bij Johannes: "...Waarachtig, ik verzeker u: wie luistert naar wat ik zeg en hem gelooft die mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven; over hem wordt geen oordeel uitgesproken, hij is van de dood overgegaan naar het leven..." (Jo 15,24)

Moge dit ons sterken in het geloof dat Hij ons niet loslaat, dat Hij ons zal leiden, zelfs doorheen de dalen van duisternis en dood (Ps 23,4). Dat wens ik ons allemaal toe. Amen