30e zondag door het jaar C - 2019

Zusters en broeders,

De farizeeër en de tollenaar: ik denk dat we het verhaal kennen. Maar wat was een farizeeër en wat was een tollenaar?

Farizeeërs waren diepgelovige joden die heel streng leefden volgens de 248 geboden en 365 verboden van de wet van Mozes. Alleen al het kennen van die 613 geboden en verboden moet een immense inzet gevraagd hebben, er naar leven moet nog veel meer moeite gekost hebben. Sommige farizeeërs waren daar zo fanatiek in dat ze zichzelf beter vonden dan anderen en minachtend neerkeken op hen die het niet opbrachten naar al die wetten leefden. In het evangelie worden ze daarom wel eens negatief benaderd, maar dat is zeker niet algemeen. En wat we misschien niet weten: onder de eerste christenen waren er nogal wat farizeeërs. De bekendste onder hen was zonder twijfel Paulus, de man die de christenen eerst vervolgde, en nadien de belangrijkste verkondiger van het christendom werd.

Tollenaars zou je bijna het tegenbeeld van de farizeeërs kunnen noemen. Zij leefden helemaal niet volgens de wet van Mozes, integendeel, ze leken maar één wet de kennen, en dat was de wet van het geld. Ze waren immers belastingambtenaren die meewerkten met de Romeinse bezetter. Ze dwongen daarbij zoveel belasting af als ze wilden. Vast lag alleen het deel dat ze aan de Romeinse keizer moesten afstaan, en alles wat ze meer binnenhaalden, was voor hen. Heel dikwijls legden ze dus veel te hoge dwangsommen op. Het is dus niet verwonderlijk dat de tollenaar zichzelf een zondaar noemt, want dat is hij inderdaad: hij buit zijn medemensen uit om er rijk van te worden, en zo’n gedrag kan je moeilijk anders dan zondig noemen.

Een farizeeër en een tollenaar: die voert Jezus dus ten tonele, en het merkwaardige is dat Hij de kant van de tollenaar lijkt te kiezen, want Hij zegt: ‘De tollenaar ging gerechtvaardigd naar huis, en niet de farizeeër.’ Maar hoe kan dat nu?

Om te beginnen: Jezus veroordeelt hen niet om wie of wat ze zijn. Hij heeft alleen aandacht voor hun gebed. Bij de farizeeër luidt dat: ‘God, ik dank U dat ik niet ben zoals de rest van de mensen’, en in zijn ogen zijn dat blijkbaar allemaal rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers en tollenaars. Daartegenover staat zijn volmaaktheid: hij vast tweemaal per week en geeft tien procent van zijn inkomen aan het goede doel. Dat is inderdaad heel positief, maar de manier waarop hij zich toch God wendt, is dat niet. Dat is immers geen gebed, maar pure zelfverheerlijking: God, ik dank u dat ik zo volmaakt ben. De tollenaar daarentegen durft niet eens zijn ogen ten hemel wenden. Hij klopt zich berouwvol op de borst en bidt: ‘God, wees mij zondaar genadig.’ Geen zelfverheerlijking, maar een zelfveroordeling, en een smeekbede om genade. ‘Help me, goede God, want alleen kan ik er niets van terechtbrengen’, zo bidt de tollenaar met andere woorden.

Zoals altijd moeten wij ons afvragen waar wijzelf staan in dat verhaal. Zijn wij zoals de farizeeër? Vinden wij onszelf ook zo’n goede mensen? Veel beter dan al die anderen die barsten van tekorten en gebreken? Bidden wij dus ook tot God om Hem te danken dat we zo volmaakt zijn? Of zijn we ons, net als de tollenaar, bewust van onze gebreken en tekortkomingen? Willen wij ook inwendig toegeven dat we niet altijd de brave, geduldige, hulpvaardige, rechtvaardige, goede man of vrouw zijn die we zouden willen zijn en waarvoor we ons misschien ook uitgeven? Kunnen wij dus ook bidden tot onze algoede God dat Hij ons zo genadig zou zijn dat we altijd en overal zouden leven naar dat ene gebod van Jezus: Bemin God bovenal en uw naaste zoals uzelf?

Zusters en broeders, in de eerste lezing zegt de profeet Jezus Sirach: ‘Het gebed van de arme dringt door de wolken heen. Zolang het zijn doel niet bereikt, rust het niet.’ Het zou goed zijn als ons gebed de weg van de berouwvolle tollenaar zou opgaan, en niet de zelfverheerlijking van de farizeeër zou uitstralen. Alleen dan kan het door de wolken naar God heen. Amen.