Ik heb de goede strijd gestreden (2 Tim. 4,6,)

Bonum certamen certavi, cursum consummavi, fidem servavi.  Zoek langs internet wat dit Latijns gezegde betekent en je krijgt ondermeer volgende uitleg.  Het gaat over een Latijns spreekwoord, gebruikt door onze leraar van wie vier jaren les kregen.

Die ouderen die het Latijnse missaal vroeger gebruikten, kennen deze toen veel geciteerde uitspraak.  Ze staat in de tweede brief aan Timoteüs.  Toen werd nog bijna algemeen gedacht dat deze brief van Paulus was.  Nu wordt deze zogenaamde pastorale brief gedateerd na het heengaan van Paulus.  De schrijver van dit brief gebruikt het gezag van Paulus om problemen in de kerk van de tweede en derde generatie te behandelen, vooral met betrekking tot kerkelijke organisatie en gemeenteverhoudingen.  De tweede brief “is gecomponeerd als een afscheidsbrief en draagt veel meer het karakter van een ‘testament’” (NBV).

Deze drie zinnen geven een schitterende samenvatting van wat het leven van Paulus geweest is.  We kunnen ze als een grafschrift beschouwen.  Hij heeft zich ingezet voor het goede.  Hij ziet het einde van zijn levensbaan naderen en hij is trouw geweest aan het geloof in Christus, dat aan zijn leven een beslissende wending had gegeven.  Niemand betwist zijn grote inzet, zijn lijden voor de kerk, zijn trouw aan het eenmaal gekregen inzicht dat Christus de Redder is, de enige (2 Kor. 11,21-29).  Paulus heeft veel op gang getrokken.  Hij heeft de Jezusbeweging geschraagd en verspreid. 

Wanneer het leven bijna geleefd is en het einde in het zicht is, kunnen meerdere mensen deze zin van Paulus op zichzelf toepassen.  Ik heb de goede strijd gestreden.  Ik heb het geloof bewaard.

Ze vierden in een parochie de organistkoster bij zijn afscheid.   Hij had vijftig jaar deze taak met vlijt volbracht.  In zijn dankwoord betrok hij God.  “Ik dank Hem dat hij mijn geloof hebt veilig gehouden, want na alles en ondanks alles wat ik in die vele jaren van op de kansel en van de ambo heb gehoord, heb ik toch mijn geloof kunnen bewaren.”

Wij kunnen onszelf niet de overwinningspalm toekennen.  Dit doet Paulus niet.  Toch bekijkt hij met een gerust gemoed het parcours dat hij heeft afgelegd.  Hij is bewust dat het einde er nog niet is en hem een tragische dood te wachten staat.

Wij mogen blij zijn om de goede dingen die er geweest zijn.  Luc was tijdens zijn verblijf in Frankrijk plots zwaar ziek geworden.  Hij moest zijn vakantie afbreken en hij werd onmiddellijk gehospitaliseerd.  Hij wou dat vrienden over zijn toekomst zouden geïnformeerd worden.  Ik herinner mij zijn gesprek in de ziekenkamer: “Ik ben 67.  Ik heb een schoon leven gehad.  Ik ben blij om wat ik mocht doen en heb kunnen doen.”  Hij was actief geweest in de KSA.  Hij was lesgever geweest in Turnhout en rector van Zusters.  Hij was betrokken in de pedagogische begeleiding en had een handboekreeks en op gang getrokken ten dienste van de basisscholen.”

Ik heb de goede strijd gestreden.  Velen hebben wellicht hun ouders dit zelfde horen zeggen.  Mensen hebben zich ingezet.  Hun leven verliep doorheen de dingen van elke dag: zorg voor kinderen, eerlijkheid in het beroep, de inzet voor het bedrijf, spanningen met huisgenoten en buren.

Als het voorbij is, is veel als rook.  Was het leven maar dat?  Wat laten we na?  Als enige voldoening dat wij onze plicht hebben gedaan en dat wij ons geborgen mochten weten in de Heer, van wie we hopen dat Hij ons zal begroeten als goede en getrouwe dienaars.

Maar de loper kan moe worden.  Geneigd om op geven, aan de graskant te gaan zitten.  Ja, het gebeurt dat hij verbrandt wat hij heeft aanbeden.  Of dat hij wegens de gekregen opvoeding of door aanleg eerder angstig in het leven heeft gestaan en beefde voor een God, die hem en haar als angstjagend is voorgesteld.  Paulus weet  in Wie hij zijn vertrouwen heeft gesteld  Scio cui credidi (2 Tim. 1,12).  God was voor hem niet de angstaanjagende van de Dies Irae. 

Paulus heeft moeilijke periodes gekend, waarin hij zich alleen en verlaten voelde.  Tegenkantingen en onbegrip kunnen tot ontmoediging leiden.  Wanneer pater Congar aangeklaagd was bij het Heilige Officie en niet wist wat hem te wachten stond, wanneer hij niet mocht publiceren en doceren, voelde hij zich nutteloos en verlaten.  Hij schreef erover in zijn journaal.  Hij heeft geworsteld om daarin Gods aanwezigheid te erkennen, die recht schrijft langs kromme wegen en te blijven geloven dat de waarheid het haalt op de macht.  Geloven dat wij een plaats hebben in het groter project van God heeft.  Het helpt om stand te houden bij tegenwind.  « Je vis davantage pour le seul service de Dieu ; or il n’y a qu’à le servir là où il veut qu’on le serve.  Peu importe que ce soit ici ou là, sur terre ou au ciel, de cette façon ou de cette autre.  La seule règle, la seule joie même, c’est de le servir où et comme il veut » (Y Congar, Journal d’un théologien, p. 245-246).

Jean XXIII zei aan bisschoppen die hem bezochten bij het begin van het concilie : « L’objection est une bénédiction de Dieu, car marcher sans rencontrer d’obstacles risque de nous faire aller très loin. »  Obstakels kunnen een zegen zijn van God.