Bij de gratie van God (2010)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

In dit evangelie worden twee 'typen' ten tonele gevoerd. Ze geven ons in hun bidden prijs wat ten diepste in hen leeft. Beiden vroom, maar grondig van elkaar verschillend.
De ene is correct in zijn gedrag, en op godsdienstig gebied niet bang om een offer te brengen. Hij doet meer dan strikt genomen van hem wordt verwacht. De woorden die hij spreekt weerspiegelen wel zonder te overdrijven de werkelijkheid. - De andere - wel, hij is juist een bedrieger, als het ware van beroep, nog erger: hij werkt samen met de bezettende macht en profiteert er stevig van. Hij heeft redenen genoeg om achter in de tempel te blijven staan en om vergeving te vragen voor zijn moreel niet hoogstaand leven. - Toch zegt Jezus: hij, en alléén hij, deze tollenaar, heeft 'het' gevonden. Het lijkt erop dat hier alles op zijn kop wordt gezet: wie goed is of althans moeite ervoor doet om het te zijn, telt niet mee; maar wie slecht leeft, hoeft slechts een beroep te doen op Gods genadigheid en wordt op een podium gezet.

Maar zo eenvoudig is het niet. Want we moeten eens letten op de vingerwijzingen vóór en ná het verhaal. Daar worden duidelijk de zelfgerechtigheid en het zich verheffen boven anderen aan de kaak gesteld. Dit wordt dus onze Farizeeër verweten, die hier model staat voor een bepaald soort type gelovigen dat men ook in de eerste christentijd al wel tegenkwam. En het gebed van die man is er dan ook naar. Bij alle dankbaarheid ten opzichte van Gods genade bewierookt hij zichzelf; en daarmee trekt hij een kloof tussen hemzelf en de ander, liefdeloos- en vol min-achting. Daarbij wordt de kwade gedachte over de medemens door Jezus het scherpst veroordeeld. Heeft die man alleen maar te bedánken? De verkeerde gevolgtrekking ligt wel heel dichtbij: vanuit het feit dat God iemand heeft behoed voor ernstige, openlijk bekende zonden naar het feit dat die man beter is dan de anderen, minstens beter dan de mensen die heel duidelijk op een of andere manier niet deugen. Maar, zegt Jezus elders, 'wat zie je de splinter in het oog van je 'wat zie je de splinter in het oog van je broeder en heb je geen erg in de balk in je eigen oog!'

Ik stoot hierbij wel eens op een gedicht van Arthur Miller, dat, toen ik het voor het eerst las, diepe indruk op me maakte. Ik zou vandaag de dag niet meer zo gemakkelijk de benaming 'mongooltje' in mijn mond nemen. Maar u begrijpt wel wat Miller bedoelt. De tekst luidt zo:

'Ik droomde
dat ik een kind had,
en zelfs in mijn droom
zag ik
dat het mijn leven was;
het was een mongooltje
en ik liep weg.
Maar het kroop steeds weer
op mijn schoot;
het greep naar mijn kleren.
Tot ik dacht
als ik het kan kussen,
kan ik misschien slapen.
En ik boog me
over zijn verwrongen gezicht,
en het was afschuwelijk...
maar ik kuste het.
Ik geloof
dat je uiteindelijk
je leven
in je armen moet nemen'.

In theologische taal zegt Sint Paulus: 'allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de goddelijke heerlijkheid. En allen worden zij om niet door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die is in Christus Jezus'. Als wij dit beseffen, beseffen wij dat het ons past te bidden: 'Wees mij, wees ons genadig'. Zo'n mentaliteit en zo'n bidden zijn heel wat anders dan wat wij her en der horen en wellicht zelf ook wel eens denken als reactie op aanslagen en op reacties daarop: Die en die - vullen wij zelf maar de personen en groeperingen in - zijn boeven, huichelaars, enzovoorts enzovoorts. Wat fout is mogen wij niet goed noemen, en wat rampzalig is mogen wij niet bagatelliseren. Maar toch... Huizen niet in ieder van ons goed én kwaad, liefde én haat? In elk geval is het belangrijk, dat wij proberen alle zelfgenoegzaamheid de rug toe te keren, elkaar te bevrijden en te láten bevrijden tot wie wij uiteindelijk zijn: mensen die leven bij de gratie van onze genadige God. Dan zijn wij oprecht en sluit God ons in zijn armen, wanneer wij met de psalmist van psalm 131 bidden:

'God, ik ben niet hooghartig,
ik kijk niet op anderen neer,
beeld mij niet in dat ik groot ben,
droom geen geweldige dromen.
Ik heb mijn verlangens getemd, ren.
Tot ik dacht:
als ik het kan kussen,
kan ik misschien slapen.
En ik mijn ziel is tot rust gekomen.
Als een kind dat gedronken heeft
en rust aan de borst van zijn moeder,
een kind dat gedronken heeft,
zo is mijn ziel in mij.
Alles verwachten van Hem,
nu en in eeuwigheid'.