Mondigheid en dankbaarheid (2007)

De wereld verhardt. Het leren dat men voor zichzelf moet opkomen, heeft zijn vruchten afgeworpen. Op allerlei niveaus ervaart men dat. "Wij hadden gedacht om dit zus of zo te doen" zegt de mondige mens. Een andere manier van mensen benaderen dan: "zou dit of dat ook kunnen?". Wanneer wensen niet meteen worden ingewilligd probeert men dingen toch af te dwingen. Voor mensen die het goede met anderen voorhebben soms een pijnlijke situatie. Wanneer een gesprek met argumenten niet meer telt, moet uit een ander vaatje getapt worden. Op dat moment komt nadrukkelijker naar voren bij wie de beslissing ligt. Toch schept deze manier van omgaan met elkaar geen vriendschappelijkheid. Mensen die geen gelijk hebben gekregen voelen zich verongelijkt. En daardoor blijft er altijd iets van een grimmige sfeer hangen. De oudere mens is opgegroeid in een wereld waarin je van de ander afhankelijk was. "Ik zal eens gaan praten en kijken wat we kunnen bereiken". In zo'n mentaliteit voel je respect voor de ander. Voor een dank je wel is altijd plaats.
Over ‘dank je wel' kunnen zeggen gaat het ook bij Jezus. Tien melaatsen zijn genezen. Nu ze beter geworden zijn hebben ze hun doel bereikt. Het leven gaat voor hun verder. Slechts één persoon, iemand van wie je het niet verwacht, een Samaritaan, keert terug om Jezus te bedanken. Hij was zich bewust van de grootheid van Jezus. Kardinaal Danneels beschrijft in het artikel "Het woord en de ritus" op een treffende manier hoe godsdienst bestaat door het afhankelijkheidsbesef. De mens is onder de indruk van wat de wereld aan mooie dingen in zich draagt. Men gaat wat teruggeven aan God wat men van Hem ontvangen heeft: offers. Er worden handelingen verricht om de aanwezigheid van God tastbaar te maken zoals het gebruik van water, de handoplegging en de maaltijd. Veel zaken uit het Jodendom zijn ook door de christenen overgenomen. Maar Jezus wordt de nieuwe werkelijkheid. Het woord ‘sacrament' komt in het vizier.  De sacramenten kunnen alleen maar betekenis hebben, als er geloof aanwezig is. Hier ligt ook het breekpunt. In het verleden onderwierp men zich aan zegeningen, wijdingen en handopleggingen. De mens voelde zich onmachtig en was spontaan ontvankelijk voor het bovennatuurlijke. Naarmate het geloof minder wordt, verschrompelt het ritueel tot religieuze folklore. Het geloof kan pas groeien als er een milieu is waarin dit besef van ‘ik heb God nodig' groeien kan. Zoals bij de tien genezen mensen alleen de Samaritaan terugkeerde, zo lijkt ook het diepgeworteld besef dat God ons leven leidt slechts bij enkelen aanwezig te zijn. Kardinaal Danneels richt tenslotte een woord naar mensen van de geloofsgemeenschap (en daar zijn niet alleen de priesters mee bedoeld). Willen wij van mensen geloof verwachten, dan mogen wij ons afvragen: in hoeverre hebben wij de ander binnengeleid in de wereld van geloof. Een gewetensvraag, vooral voor onze tijd.
Geloof begint vaak met de manier waarop wij omgaan met elkaar. Misschien is het goed om eens bij ons zelf eerlijk na te gaan hoe vaak wij tegen de ander daadwerkelijk ‘dank je wel' zeggen' voor datgene wat hij/zij voor ons heeft gedaan. Wij merken dat, waar mensen elkaar bedanken, een sfeer van vriendelijkheid ontstaat. Wat je krijgt is niet vanzelfsprekend. Het is iets wat je geschonken wordt. Dit geeft een ander gevoel dan: ik had er recht op. We zullen merken dat daar, waar mensen minstens tien maal per dag iemand bedanken voor wat men gekregen heeft een andere leefsfeer komt. Een sfeer waarin wij ook meer van de dienst aan God kunnen begrijpen. Ook deze bestaat bij de gratie van het gevoel van afhankelijkheid. "Heer open mijn lippen om uw lof te kunnen verkondigen". "Brengen wij dank aan de Heer onze God. Mogen deze woorden vlees en bloed worden in ons leven van alle dag.