Danken om heil en genezing

Vandaag lukt het de Syriër Naäman niet meer om naar de Jordaan te gaan. Al lange tijd is er vijandschap tussen Syrië en Israël. De Syriërs krijgen geen visum voor dat land.

Syrië heeft de voorbije jaren hard geleden en de pijn is nog niet voorbij. Het was en het is er leven tussen hamer en aambeeld. De opstand heeft alleszins al meer onheil veroorzaakt dan in de voorafgaande jaren. Lange tijd was het er voor de christenen leefbaar. Nu is er zoveel verdwenen en vernietigd, zowel aan cultureel erfgoed zoals de ruïnes van Palmyra, de citadel van Aleppo. maar vooral bij mensen, slachtoffers van gasaanvallen, van bombardementen, van terrorisme.

Wat is er geworden van de jezuïet Paolo dall’Oglio (1954), van de ontvoerde Syrisch-orthodoxe bisschop van Aleppo Mar Gregorios Ibrahim, en zijn Grieks-orthodoxe collega, Paul Yazigi? Wat groeit er uit de Syriëstrijders?

Het buurland Libanon, dat zelf een interne oorlog heeft gekend, heeft heel veel vluchtelingen opgevangen. Het heeft allang op zijn bodem kampen van verdreven Palestijnen. Onder hen werken Zusters van de Fraterniteit Nazareth, vijftig jaar geleden in Gent begonnen.

Ook de Samaritaan heeft het zoals de Syriër Naäman moeilijker dan vroeger. Zijn geloofsgroep is heel sterk geslonken. Waar woont hij nu, op Palestijns gebied, of op de bezette Westbank, in Israël? Langs welke kant van de muur?

In de oktobermaand kijken we niet alleen naar de kaart van het Nabije Oosten, maar we hebben de wereldkaart voor ogen. Christenen zijn met velen, maar niet overal met een zelfde geloofskracht. De campagne van de oktobermaand wil elk jaar onze ijver voor Christus verdiepen en bijdragen voor zijn werk van vrede, gerechtigheid en heil voor de wereld. De apostel Paulus moedigt ons hierbij sterk aan. Hij was de grote missionaris en heeft gezorgd voor het contact tussen volkeren, tussen jood en Griek met de inzet van man en vrouw. Wat Paulus verlangt van Timotheüs verlangt hij van elke christen. “Houd Jezus Christus in gedachten.” Volhard en blijf trouw.

Vreemdelingen

Wij laten ons hierbij inspireren door de twee vreemdelingen die ons in de Schriftlezingen van deze zondag in de oktobermaand dichterbij komen.

Naäman was ziek en zocht naar genezing. Een dienstmeisje in zijn huis dat uit Israël kwam en was meegepakt door soldaten, vertelt hem over de profeet die hem helpen kan. God is een vluchteling. Hij vertelt ons wat door het geloof van vreemden, hoe deze hier in het Westen aan het geloof trouw blijven. Op zondag zijn er meerdere plaatsen waar ze samen bidden. In Kraainem hebben ze een parochie in het klooster van de Visitandinen.

Naäman volgt de raad op van het Joodse dienstemeisje. Hij zoekt eerst een diplomatieke weg, aarzelt om de raad van de profeet op te volgen en waagt het tenslotte toch om zich in de Jordaan onder te dompelen. Door zijn genezing erkent hij de God van Israël. Hij zal hem blijven gedenken bij zijn terugkeer in Syrië. Het goede dat hij heeft ontvangen, maakt hem dankbaar en erkentelijk voor de God van Israël. God vraagt geen nationaliteitsbewijs van een mens. Jezus herinnert zijn toehoorders in Nazareth aan deze soevereiniteit van God en wijst naar de genezing van Naäman. Zijn genezing is de pendant voor het evangelie van de tien melaatsen. Dit evangelieverhaal is er een met vertrouwde aspecten als de genezende aanwezigheid van Jezus, zijn omgang met de melaatsen, dankbaarheid en ondankbaarheid, maar vooral het geloof en het knielend gebaar van de Samaritaan.

In het kader van de oktobermaand verdient dit laatste de meeste aandacht. Dit evangelie is het verhaal van een onverwachte ontmoeting. Het bevestigt de boodschap, reeds aanwezig in het verhaal van de Syriër Naäman, dat Jezus niemand uitsluit. God biedt zijn heil aan elkeen aan die hem met een oprecht hart zoekt. Vooral armen en kleinen hebben tot hem toegang. Missie is de solidariteit met christelijke gemeenschappen, hoofdzakelijk in culturen en gebieden, waar de God van Jezus vreemd en ongekend is. Wij willen aan elkaar, geestelijk gezien, een beetje grond toevertrouwen, een basis van waaruit wij de God van Jezus kunnen eren.

Jezus ziet

Zoals zo vaak bij Lucas ontmoeten wij Jezus als genezer. Melaatsen komen naar hem met hun verwachtingen om te genezen. Melaatsen zijn welkom. Door de maatschappij zijn ze uitgestoten. Jezus stuurt niemand weg. De melaatsen houden zich aan de voorschriften. Zij blijven op grote afstand staan. Maar naar Jezus toe is deze afstand geen verwijdering, maar een begin van toenadering. Zij kunnen en mogen hem reeds met hun beden benaderen. “Heer, ontferm u over ons”, zo mogen wij ons tot op vandaag met schroom tot God te wenden.

Jezus ziet hen. Een zinnetje bij Lucas, dat al een belofte en een genade inhoudt. Bij de ontmoeting met de tien melaatsen raakt Jezus ze niet aan. Dit doet hij wel op andere plaatsen. Hij geneest van op afstand. Zijn woord is immers vaardig hen en ons te genezen. Melaatsen genezen, dit is hen terug opnemen in de kring van de samenleving. Daarvoor zendt Jezus hen naar de priesters. Op weg daarheen worden zij gereinigd. Dit zegt meteen iets over de verhouding van Jezus tot het Jodendom. “Jezus heeft voor de tempel van Jeruzalem het diepste respect aan de dag gelegd” (K.K.K. n°583). Joden en christenen zijn voor elkaar een oproep.

Jezus geneest en heelt de melaatsen. Zijn handelen heeft in de geschiedenis inspirerend ingewerkt: de ontmoeting van Franciscus van Assisi met de melaatse: het werk van Raoul Follereau, de inzet van de heilige pater Damiaan, Op diens graf in de kerk van de Picpussen te Leuven staat zijn uitspraak: “Ik vind mijn grootste geluk de Heer te dienen in zijn arme en zieke kinderen die van de andere mensen verstoten worden.”

Dokter Hemerijckx (1902-1969) heeft gedurende 25 jaar als leproloog in Kongo gewerkt. Hij startte het principe van "klinieken onder de bomen”: welzijnswerkers die naar de mensen toe gaan. In 1929 vertrok hij uit Ninove naar Tsumbe (Oost Kasai) en werkte er met de Zusters Franciscanessen van Opbrakel. Hij bouwde een leprozerie voor de melaatsen. Deze is opgevat als een dorp, waar de melaatsen in afzondering konden leven, maar toch samen met hun familie. Hij stichtte een tweede lepradorp met de naam ‘Dikungu’. Dit gebeurde door toedoen van Koning Leopold III. Later verhuisde Hemerijckx naar India samen met drie Belgische vrouwen: Dr. Claire Vellut en de verpleegkundigen Simonze Liégeois en Hélène Berg. Ze richtten er de ‘klinieken onder de bomen’ op in Polambakkam. Het is een pilootproject en in heel India werden op vraag van de Indiase regering zulke projecten opgestart (Wikipedia).

Veertig jaar geleden werd de Britse missionaris en franciscaanse lekenbroeder John Bradburn (1921-1979) in Zimbabwe doodgeschoten en gedumpt langs de openbare weg. Een gewapende militie had hem uit de melaatsengemeenschap ontvoerd. Tijdens zijn verblijf in het Zuid-Afrikaanse land zette hij zich in Mutemwa in voor melaatsen, in de geest van pater Damiaan. De bisschoppen van Zimbawe openden op 5 september het proces voor zijn zaligverklaring (Tertio, 19 sep. 2018).

Wie dankt?

De vraag van Jezus naar de negen anderen, die niet terugkeerden, is heel menselijk. Jezus is gevoelig, zoals elk van ons, om een blijk van dankbaarheid. Dankbaarheid is zo zeldzaam. Een verontrustend klein respons, slechts één op tien. Dankbaarheid is het geheugen van het hart. Danken en denken, twee woorden die dicht bij elkaar liggen, maar vooral twee houdingen die elkaar raken. Denken leidt tot dankbaarheid. Een beetje inzicht leidt weg van God, veel inzicht leidt tot Hem.

Eén keert terug

Een van de tien is teruggekeerd. Het was een Samaritaan. Hier ligt de pointe van het verhaal. Jezus overschrijft grenzen en tegenstellingen. Hij reikt Gods heil aan andersgelovigen. “Bij God bestaat geen aanzien des persoons” (Hand. 10, 34). Lucas zegt met dit ontmoetingsverhaal veel over de gemeenschap waaruit hij komt en tot die hij zich richt. De christenen uit het Jodendom hadden moeite om anderen te aanvaarden. De Samaritaan, de enige die terugkeerde, was een man die niet veel te zoeken had bij de priesters. Hij was voor hen uitschot. In hun ogen was hij tweemaal uitgesloten, als melaatse en als Samaritaan. Zijn terugkeer is een echte ommekeer. Zelfs genezen, blijft deze de man iemand die de priesters niet zullen bekijken. Hij gaat naar Jezus omdat deze zijn huid genezen had en de melaatsheid weggenomen, maar vooral omdat hij beseft dat God zich in Jezus echt met hem bezighoudt en hem de volle redding brengt. Hij zet een nieuwe stap naar Jezus. Zijn redding is dubbel: hij is lichamelijk genezen en hij ziet vooral in wie Jezus is. Vandaar stelt hij dit diepe gebaar van verering, van hulde, van aanbidding. Hij werpt zich voor Jezus neer. Nu moet hij niet meer op verre afstand gaan staan. De afstand is verkleind, hij komt tot voor de voeten van Jezus. Zijn deemoedig gebaar is er een vol huiver, schroom en eerbied. Dit houdt steeds afstand in. Goede vrienden houden afstand! De negen anderen zijn in hun oude plooien teruggevallen. Ze zijn naar de priesters gegaan en hebben zich aan de voorschriften gehouden. Zij blijven zich concentreren rond Jeruzalem en op de priesters van de tempel. Zij komen niet los uit hun joodse belijdenis. Zij herkennen in Jezus niet God “in hoogsteigen persoon”.

Waarom gaan wij naar Jezus?

De Samaritaan is door het herwinnen van zijn gezondheid in een andere verhouding komen te staan tegen over Jezus. Hoe velen zijn in staat tot een nieuwe blik op Jezus? Wat zoeken wij zelf bij Jezus? Wij komen bij hem met onze noden, maar eenmaal deze vervuld vergeten wij Jezus. Het contact met Jezus kan nochtans verder en dieper reiken. Het zal pas blijvend zijn, wanneer het een echte ontmoeting is.

De kerk heeft veel materiële nood gelenigd. Waar zij dit deed en nog doet, wenden velen zich tot haar. “Als het evangelie heel concreet gebracht wordt als opheffing uit onwetendheid en slavernij, als het vorm krijgt in welzijnsopbouw door agrarische vooruitgang, geneeskundige zorg, grotere politieke en economische onafhankelijkheid, alfabetisering, kortom elke denkbare vorm van menselijke lotsverbetering, dan heeft men vele aanknopingspunten met de concrete levensomstandigheden, en treft men in vele continenten ontvankelijkheid. De mens is immers een materieel wezen dat goed nieuws in materiële tekenen nodig heeft. Dat het evangelie van Jezus Christus van bij het begin hoop schonk aan de kleinen en armen, aan de verliezers van de maatschappij, kan geen verwondering wekken. Waar christenen ontwikkeling brengen, ervaren nog vele miljoenen aan den lijve dat het evangelie daadwerkelijk goed nieuws betekent, en is de Kerk een lichtbaken en een anker.”

“Maar in gebieden waar het christendom niet meer nodig is als factor van materiële of intellectuele ontwikkeling gaat stilaan de vraag veel scherper rijzen: waarover gaat het goede nieuws nu wel? Wat is, voor westerse, welstellende, gecultiveerde mensen, voor de ‘winnaars’, de boodschap van verlossing? Kan de heilsboodschap van het evangelie enkel gedijen op een akker van onheil? (P. Schmidt, In de handen van mensen. 2000 jaar Christus in kunst en cultuur, Davidsfonds, Leuven, blz. 60-62). Veel vormen van onheil lijken in West-Europa, de Verenigde Staten of Japan opgelost. De bijbel is geen weg meer om er materiële of psychische miserie mee te bestrijden. Daarvoor bestaan andere en efficiënte wegen. Meteen krijgen de vragen een scherper vorm. Waaruit redt God? Hoe schenkt Hij heil? Waarover gaat verlossing? Waar kun je ze merken?

Werner Lesage stelde dergelijke vragen over Japan waar hij als missionaris werkt: “Ik ben ’s avonds uit Tokio met de Shinkansen-trein naar huis teruggekomen. Drie en een half uur sporen op een van de snelste treinen ter wereld. Ik dacht, in andere missies hebben ze soms dagen nodig voor die afstand. En hier zitten we als missionarissen in een land ‘waar de mensen alles hebben, alles om goed te leven en om nog een ‘goeie ponke’ over te houden, dan nog zou ik durven zeggen: ook daar zijn er missionarissen nodig. En als je nog je twijfels zou hebben, voeg ik eraan toe: daar vooral!”

Een voortdurend reinigingsproces

Tijdens onze geloofstocht zijn wij geroepen tot een voortdurend reinigingsproces om los te komen van oude beelden en om telkens dieper te kiezen voor Jezus en het evangelie.

“Christelijk geloven gaat om een goed nieuws, omwille van Jezus Christus mogen wij geloven in een God van liefde en gerechtigheid, de God waarvan de bijbelse traditie getuigt dat hij een verbond met de mens is aangegaan. Jezus Christus, gestorven en verrezen, zegt me: op die God mag je vertrouwen, hoe dan ook, ondanks alles, ondanks het kruis. Christelijk geloven heeft te maken met het steeds weer vinden van die God in de tekenen waarmee de gemeenschap van gelovigen, de kerk, de aanwezigheid van de levende Heer viert, het beluisteren van zijn woord, het gedenken en delen van zijn liefdedood en zijn Pasen. Christelijk geloven heeft te maken met een fundamentele omkering van waarden, en daarom met het bouwen aan een andere manier van leven. Het is, kortom, mijn relatie tot God en de medemens beleven met en zoals Jezus Christus” (P. Schmidt, op. cit., p. 107). “Uit de zinloosheid bevrijd te zijn, een eeuwig toekomstperspectief bij God te hebben, dat gaf en geeft adem en kracht aan christenen. Daarin lag aanvankelijk hun leven verankerd, niet in hun culturele bijdrage aan de maatschappij” (Ib. p. 107)

Bedelaar samen met anderen

Mensen blijven ermee bezig om Jezus te (h)erkennen als verlosser en bevrijder. Het “reinigingsproces” blijft onontbeerlijk “Heeft mijn geloof in God invloed op mijn leven, en hoe?” Deze vraag is aan elkeen van ons gesteld. Hoe beleven wij het geloof als dit zijn sociale vanzelfsprekendheid verloren heeft en wanneer wij zoals de dankbare Samaritaan in een minderheidspositie staan? Wanneer wij de Heer onze hulde brengen en voor hem knielen, wijzen wij geen mensen af met andere levensopvattingen. Wij proberen trouw en openheid met elkaar te verbinden, zoals de dominicaan Timothy Radcliffe het jaren geleden uitdrukte in een interview met een Franse krant:

“Wij blijven steeds gedreven door waarheid. Het gevaar bestaat echter dat wij zouden denken dat wij er in geslaagd zijn de volle waarheid te kennen, dat we handelen alsof wij haar bezitten en ze aan anderen moeten opleggen in plaats van haar aan te bieden. We willen veeleer de waarheid voorstellen en haar met anderen delen. Wij staan voor een dubbele uitdaging. Wij moeten ten volle vertrouwen in de waarheid door Christus geopenbaard. Tegelijkertijd moeten wij op de meest bescheiden wijze de waarheid van de andere eerbiedigen. Indien wij niet geloven in de waarheid van Christus, dan zijn wij door het relativisme getekend. Maar, indien wij niet nederig open staan voor de waarheid in de andere, dan dreigen wij onverdraagzaam te worden en is de inquisitie dichtbij” Verder zegt hij in het interview: “Ik geloof dat de waarheid door Jezus Christus geopenbaard werd, maar ik ben niet in staat gans de christelijke waarheid op mijn eentje te begrijpen. Ik zeg niet dat de openbaring gedeeltelijk is. Maar ik beweer dat ik niet alleen kan binnentreden in de totaliteit van het mysterie van Christus. Om dit te doen, heb ik behoefte aan de andere. Het is nodig om in dialoog te treden met mijn joodse broers, met de moslims, met de boeddhisten om beter te begrijpen en te onderscheiden al datgene wat tot mijn eigen geloof behoort” (Le Monde, 17 april 2001).

Door respectvol te luisteren ontdekken wij de waarden van andere mensen en leren wij tegelijkertijd waarderen wat Jezus ons blijft zeggen. Hij vraagt ons waar we ons bevinden. Zijn wij van hem weg gegaan om zoals die negen terug te keren naar oude zekerheden? Of richten wij samen met die éne Samaritaan onze stap naar Jezus toe om hem te danken? Hoe kan die onverwachte ontmoeting met Jezus aan ons leven een nieuwe wending geven?