Tijd door het jaar (C)

‘Geef ons meer geloof.’

Zusters en broeders, dat is wat de apostelen vragen aan Jezus. Een beetje geloof is dus niet voldoende, nee, het moet echt meer zijn dan een beetje.

En ‘meer’ is een begrip dat wij heel goed kennen, want ook wij verlangen dikwijls naar meer. Maar het gaat dan heel waarschijnlijk niet over meer geloof, maar over meer geld, meer gezondheid, meer geluk in de liefde en in de lotto, meer vakantie enzovoort. Maar nooit ‘meer geloof’, want dat zou te veel van ons eisen. Immers, hoe dieper en oprechter ons geloof is, hoe meer we Jezus echt volgen. We weten wat het inhoudt: dat is bovenal houden van God, en evenveel houden van onze naasten als van onszelf, en dat is niet altijd gemakkelijk, ook al weten we dat we niet van God kunnen houden als we niet van onze naasten houden.  Precies daarin ging Jezus grenzeloos ver: Hij was er altijd voor zijn medemensen, wie ze ook waren: man of vrouw, oud of jong, ziek of gezond, rijk of arm, zondaar of vrome. En Hij veroordeelde nooit. ‘Ga heen en zondig voortaan niet meer’, was het enige wat Hij zei tegen de overspelige vrouw die de schriftgeleerden en de farizeeën bij Hem hadden gebracht met de vraag haar te stenigen, want dat moest volgens de wet van Mozes. Maar dat moest helemaal niet volgens de wet van Jezus, want die bestond uit maar één woord, en dat was liefde. Liefde die niet tot oordeel leidt, maar tot breken en delen, tot een luisterend oor en een warm hart. Liefde die een teken is van meer geloof. Een geloof dat zo sterk is dat het bergen verzet en wonderen verricht, zoals die moerbeiboom die zijn wortels losrukt en zichzelf in de zee plant.

Een geloof dat ook op onszelf gericht is, zodat het ons sterk genoeg maakt om wonderbare dingen te doen. Zoals altijd streven naar vrede. Altijd aandacht te hebben voor onze medemensen. Echt breken en delen. Respect hebben voor mens en natuur. Zelfs kunnen vergeven.

Dat is allemaal bijlange niet altijd gemakkelijk, want we leven in een stormachtige wereld. Een wereld die ons wellicht tot dezelfde wanhopige vragen leidt als die van de profeet Habakuk in de eerste lezing. Waarom-vragen en Hoelang nog-vragen. Waarom moet er zoveel ellende zijn? Waarom voert Rusland oorlog tegen Oekraïne en Europa? Waarom zijn er miljoenen vluchtelingen? Waarom laat God dat allemaal toe? Hoelang gaat al die ellende nog duren?

Het antwoord op die vragen is eenvoudig: die ellende zal er zijn zolang zoveel machthebbers zichzelf tot god verheffen. Geen god van liefde en vrede, maar van haat, van  machtsmisbruik, van wreedheid, van oorlog en geweld. Een mensonwaardige  god die de God van liefde en vrede wil uitroeien.

Zusters en broeders, het is duidelijk dat in zo een wereld een sterk geloof als dat van een mosterdzaadje nodig is. Een geloof zo diep en zo sterk dat het blijft zoeken naar Gods wegen van liefde en vrede, hoe vreselijk de wereld ook toegetakeld wordt. Maar we staan daar niet alleen voor. ‘God heeft ons een geest van kracht, liefde en bedachtzaamheid geschonken. Schaam u dus niet om van onze Heer te getuigen, en bewaar de u toevertrouwde schat met de hulp van de heilige Geest die in ons woont,’ zegt Paulus in de tweede lezing. Nee, we staan er echt niet alleen voor. Laten we dus ons uiterste best doen om te leven vanuit een sterk en diep geloof. Een geloof dat we in deze missiemaand  ook toewensen aan onze christelijke broeders en zusters wereldwijd. Amen.