Geloven is als ademhalen

'Wij zijn alleen maar nutteloze knechten".... als er iemand thuis de bijbel uit de kast haalt en deze tekst van Lucas nog eens naleest, is er een kans dat hij daar een andere vertaling vindt. In de recente vertalingen is die 'nutteloze' weggevallen, of vervangen door 'gewone'.

Nu heeft die oudere versie op mij altijd een grote indruk gemaakt. En stiekem denk ik dat het woord 'nutteloos' verdwenen is, omdat men er niet goed weg mee weet... het is bijna een affront dat Jezus daar aan zijn leerlingen geeft.

En toch.

Moeten we ervan opkijken dat Jezus ons 'knechten' noemt? Dat is een compliment. Want wie is de eerste knecht, en tegelijk de meest nederige, die  letterlijk door het stof is gekropen? Wie heeft gezegd 'wie de eerste wil zijn, moet de dienaar van allen zijn'?

Wie heeft zijn leerlingen als een slaaf de voeten gewassen? Heel het evangelie door bokst Jezus op tegen de pretentie die bij zijn leerlingen de kop opsteekt, waarop hij botst bij Farizee├źn en schriftgeleerden, die bij de machtigen  der aarde tot machtsmisbruik en uitbuiting leidt. Wie zijn leerling wil zijn, moet knecht worden.

Maar een nutteloze knecht?

Het zinnetje spreekt mij aan, omdat het mij ook doet denken aan een lied, psalm 127. Die is nu  wat uit de mode  geraakt, maar  ik vind hem nog altijd heel mooi : 'Indien de Heer het huis niet bouwt, bouwen vergeefs de knechten.

Indien de Heer de stad niet houdt, moet niemand voor haar vechten'.  Dat zinnetje, en die psalm, spreken over geloof. En geloven is als ademhalen. Het lijkt vanzelfsprekend, zonder nadenken halen we adem, en dank zij die adem leven we, houden we ons gaande en staande, we slapen rustig in, we steken een tandje bij. Tot we buiten adem geraken. Dan beseffen we dat al dat ademen alleen nut heeft als er  zuurstof is. We ademen omdat we onbewust vertrouwen. Vertrouwen in de lucht die ons omgeeft en voedt.

Zo leven we ook. We hebben dat leven in handen - denken we.

We nemen beslissingen - over leven en dood soms, we plannen, we organiseren, we streven. We zijn 'autonome wezens' zoals dat zo mooi gezegd wordt. En het streven naar  zelfbeschikking van de mens, van de mondige burger, van de jongeren die misschien op 16 jaar stemrecht zullen krijgen, staat hoog op de agenda. In  dat streven zit veel goeds, laat dat duidelijk zijn. Maar het kan ook op drijfzand gebouwd zijn. Want vroeg of laat botsen we op de grenzen van die zelf-beschikking. Ons plan mislukt, ons leven loopt helemaal anders dan we verwacht hebben,  iemand laat ons in de steek, iemand wordt ziek, iemand sterft.

De eerste lezing is een tekst van de profeet Habakuk. In de bijbel wordt verteld hoe die profeet op een dag door de engel van Jahweh bij zijn haar gepakt wordt, en door de lucht naar de plaats gebracht wordt waar hij moet zijn. Het leven, God, brengt ons waar we zelf niet over beslissen.

Daar gaat dat zinnetje 'nutteloze knechten' over en psalm 127.

Over het besef, dat we het fundament van ons leven niet zelf gelegd hebben. Dat we met al onze inspanningen geen alleenheerser kunnen zijn over wat er met ons gebeurt. Dat we ons leven krijgen, en dat het ons uit handen zal genomen worden.

Maar als we vertrouwen op het evangelie, geloven we dat we altijd op de juiste bestemming geraken. Dan geloven we dat we zullen blijven ademen: het leven zal ons niet vergiftigen. Onze inspanningen om een goed mens te zijn zullen lukken, niet omdat wij dat op onze rekening zullen kunnen schrijven, maar omdat we het leven en zijn mogelijkheden cadeau krijgen. Alles is genade. We bouwen, gedragen door 'de Heer': hij is de bouwer, wij krijgen de genade om mee te kunnen werken. 

We hebben een bouwplan gekregen. Dat is dat eeuwenoude boek, en inderdaad: het is niet altijd eenvoudig om tot het laatste woord te vertalen wat daarin staat. Maar zeker is, welke richting wij moeten uitgaan: die van de levensweg van Jezus, die in oneindig Godsvertrouwen de nederige dienaar van allen wil zijn.

Indien de Heer het huis niet bouwt,

bouwen vergeefs de knechten.

Indien de Heer de stad niet houdt,

moet niemand voor haar vechten.

Al zijt gij 's morgens vroeg te been,

al werkt gij nog bij nachte,

indien de Heer geen brood verleent,

zult gij op eten wachten.

Terwijl gij eet het harde brood

van slaven en van zweten,

bezorgt de Heer zijn vriend in nood,

terwijl hij slaapt, te eten.