Geef het wachten niet op (Hab. 2,3)

Hij is een van de twaalf kleine profeten, iemand die niet over het hoofd mag gezien worden. In moeilijke tijden weet hij het volk te bemoedigen.  “Geef het wachten niet op.” Hij schrijft “een glorieus gedicht, prachtig in zijn verontwaardiging, over het onrecht en de manipulaties van de kleine potentaten die zullen weggevaagd worden door de storm van een grote potentaat” (W. Barnard, Stille omgang, p. 888).

Habakuk. Die vreemde naam trekt aan, hij heeft popgroepen geïnspireerd.  Hij is de enige van de kleine profeten die geen Hebreeuwse naam heeft.  Zijn naam zou Assyrisch zijn. Hij betekent zoiets als ‘tuingewas’, een soort basilicum.

Hij krijgt sympathie omwille van zijn attribuut, een kookpot. Een van de handgrepen in het koorgestoelte van Hoogstraten is een beeldje van deze profeet. Habakuk zit roerend in een pot die hij met de andere hand op zijn schoot houdt. Volgens Dan. 14,23-42 bezorgde hij eten aan de profeet Daniël in de leeuwenkuil.  Hij werd bij de haren opgepakt door een engel en tot in Babylon gebracht.  Hij zou de patroon kunnen zijn van Sodexo en andere distributiebedrijven van maaltijden!  Maar de figuur in het deutero-canonisch deel van Daniel is een ander persoon dan de schrijver van het boek Habakuk.  Habakuk wordt gesitueerd in de zevende eeuw, nog vóór de ballingschap.

Habakuk is gekend bij wie het brevier bidt.  Wij krijgen daar een mooie tekst, waarmee Habakuk zijn hoop en vertrouwen verwoordt bij moeilijke tijden.

Al zal de vijgenboom niet bloeien,

al zal de wijnstok niets voortbrengen,

al zal de oogst van de olijfboom tegenvallen,

al zal er geen koren op de akkers staan,

al zal er geen schaap meer in de kooien zijn

en geen rund meer binnen de omheining –

toch zal ik juichen voor de HEER,

jubelen voor de God die mij redt.

God, de HEER, is mijn kracht,

hij maakt mijn voeten snel als hinden,

hij laat mij over mijn bergen gaan (Hab. 3, 17-19).

Vertrouwen, daarover gaat het al van bij het begin van het boek Habakuk. De profeet lijkt het vertrouwen kwijt te zijn. Het zit niet goed.  Hij ziet onrecht in Israël en begrijpt niet dat God het bestraft met nog groter kwaad en onrecht, want de invallers begaan wreedheden.  Het blijft slecht gaan tot op onze dagen.  Is het niet hier, dan elders?  Syrië, Soedan, aanslagen op christenen in Pakistan, oproer in Kongo.  En zal het morgen zoveel beter zijn? “Wanneer Habakuk precies leefde, wat doet het er toe? Hij leeft nu, want waar hij tegen opkomt is nog altijd aan de orde, potentaten zijn er in alle formaten, steeds en altijd weer, en geopolitieke aardverschuivingen doen zich in alle tijden voor” (W. Barnard, Ibid, p. 188).

Het boek begint met een tweespraak tussen de profeet en God.  De profeet verwoordt de nood, waarin hij en het volk verkeren.  “Hoe lang nog, HEER, moet ik om hulp roepen en luistert u niet, Moet ik ‘Geweld!’ schreeuwen en brengt U geen redding?” (Hab. 1,2-3).  De profeet voelt zich machteloos, zoals wij machteloos toekijken naar geweld op het scherm, geweld ver weg en dichtbij.  Machteloos omdat we vinden dat het geweld straffeloos is en vandalen onmiddellijk weer vrijgelaten worden. 

Ons gebed kan een aanklacht zijn.  God, waar zijt Gij?  God, zijt Gij een gevoelloze die ons laat stikken in onze ellende?  De profeet stelt pijnlijk vragen aan God.  Hij spreekt zoals Job en zoveel psalmbidders. Na de kreet en de klacht van de profeet, die gans het eerste hoofdstuk vullen, komt het antwoord van God.  Het manifesteert zich in een niet nader omschreven visioen.  God verzekert de profeet dat het visioen zich zal voltrekken.  “Het visioen wacht tot zijn tijd gekomen is, het getuigt er van.  Het liegt niet.  Ook al is het nog niet vervuld, wacht maar, het komt zeker, het zal niet uitblijven”  (Hab. 2,3). 

Wacht maar.  Hoe lang zal dit duren?  Wij blijven ontevreden met dit antwoord.  “L’espoir fait vivre, mais une longue espérance fait mourir”, zei Victorine, een poetsvrouw in het Brussels militair hospitaal. 

Het visioen smacht en hunkert naar vervulling.  Wacht maar, het komt zeker.”  Deze kernzin zou de profeet in een steen moeten griffen.  Hij heeft deze opdracht wellicht uitgevoerd, zodat de voorbijganger de belofte van God kon lezen.  Heeft het dit gegrift dicht bij de tempel?  Is Habakuk een voorloper van de muurkranten, waarmee ‘Goed nieuws’ wordt verspreid?  In Duitsland en in Zwitserland vind je vaak op oude hoeven een Bijbelse tekst boven de deur gebeiteld.  Kunstenaars kunnen in sierschrift een waardevolle boodschap aanbrengen zoals “Wacht en geef niet op, onze God komt.”

Dat Habakuk het verlossend visioen in een steen moet griffen, dit lijkt een herinnering aan het verbond.  “Niet in deze zin van: met deze twee stenen tafelen raak je door de woestijn, maar wel: op deze steen staat gegrift dat onrecht, waar het ook komt, nooit zal zegevieren, ook al zie je het niet onmiddellijk” (Bart Paepen, Martin Otten en Rudi Mannaerts, Godsspraak, de twaalf kleine profeten, p. 105). 

Habakuk gaat op een wachtpost staan (Hab. 2,1).  Het was geen wachten op Godot.  Maar een Bijbels wachten, waar zo vele zijn in getreden.  “Wachten is een veel actiever woord dan vaker wordt gedacht.  Het vraagt de concentratie en de alertheid van de waker.  Wachten betekent dat je zelf focust op wat komen gaat.  In dit geval heeft de wachter een enorm voordeel: hij weet wie hij mag verwachten. De God die zijn volk niet in de steek laat.  De God, schepper van hemel en aarde.  De God, bevrijder uit Egypte.  De God die zijn volk liefheeft” (Bart Paepen, Martin Otten en Rudi Mannaerts, Ibid., p. 111). 

Het wachten van Habakuk was gedragen door zijn gebed in tweespraak met God.  In nood richt de Bijbelse mens zich tot God. “Bidden werkt inderdaad, altijd.  Op de eerste plaats werkt het gebed immers in de bidder. Wie spreekt tot God plaatst zichzelf tegenover God, hij geeft gestalte aan zijn relatie met God: in goede en kwade dagen, in ziekte en gezondheid, in armoede en in rijkdom. Zoals in ene huwelijksrelatie is daar veel vertrouwen voor nodig.

Bidden betekent dat je oefent in dit vertrouwen.  Voor wie die stap vandaag zet, klinkt het goddelijk antwoord in het boek Habakuk allerminst betuttelend of sussend.  Het is een oproep tot volharding; geef je relatie niet op, laat het vertrouwen niet los. Dit is geen gemakkelijkheidsoplossing.  Geen opium voor het volk. Geen zelfgekozen illusie. Het is de indrukwekkende levenshouding van een mens die ervoor kiest te leven in het aanschijn van God.  Voor deze mens klinken de woorden van Habakuk als een intens aangrijpende boodschap van hoop” (Godsspraak, p.113).

Bidden betekent niet dat we de armen kruisen.  De tijd lost een aantal problemen op.  François Miterrand zei vaak : « il faut laisser le temps au temps. »  President Kennedy zei tot de jeugd van zijn land: vraag niet wat je land voor jou kan doen, maar wat jij zelf kan doen.  Yes we can, was de boodschap van Obama bij zijn eerste presidentsaanstelling.  Wachten en werken in de overtuiging dat het goede overwint en de trouw in God niet ijdel is.  “In deze hoop wil ik leven en sterven”, het blijft een goed voornemen en een kort gebed.

De rechtvaardige zal leven door zijn trouw” (Hab. 2,4).  Dit woord van Habakuk heeft Jezus geïnspireerd: “Red je leven door standvastigheid!” (Lc. 21,19).  Zijn woord is overgenomen in de brief aan de Hebreeën (Heb. 10,37-38) en door Paulus (Rom. 1,17; Gal. 3,9).  Trouw, dit vraagt de huisheer van zijn dienaar.  Uitzien naar de komst van zijn Heer en het hem opgedragen werk in trouw volbrengen (Lc. 17, 8-10). 

Dank aan Bart Paepen, Martin Otten en Rudi Mannaerts, Godsspraak, de twaalf kleine profeten, uitgegeven bij Halewijn.