27e zondag doorheen het jaar Cyclus C 2013 2 Tim 1,6-8.13f Lucas 17, 5-10
God kent geen prestatiedrang!
Beste vrienden,
Een familie uit mijn kennissenkring heeft nog de goede gewoonte om voor het middageten een kort gebed te zeggen om God voor de maaltijd te danken. Op een dag in de vakantie namen ze het middagmaal op restaurant. Toen vader aanstalten maakte voor het gebed zei de jongste zoon van vijf: “vandaag moeten we niet bidden, want vandaag betalen we ervoor!“
Het is een anekdote die ons laat glimlachen. Maar drukt ze niet ook iets uit van onze eigen, volwassen mentaliteit? Wij zijn het immers gewend om dagelijks te presteren. Maar wanneer wij onze arbeidskracht en onze technische know-how ter beschikking stellen, dan verwachten wij daarvoor natuurlijk ook een tegenprestatie. Dat is toch normaal, want anders zou zowel ons inkomen als ons rondkomen in gevaar komen en onze maatschappij zou niet meer kunnen functioneren. En daar waar prestatie en loon niet in evenwicht zijn, daar ontstaan wrijvingen en problemen. Daar worden de vakbonden op het toneel geroepen of misschien zelfs een staking uitgeroepen.
Een heel ander beeld roept het evangelie van vandaag op. Heel verwonderd wrijven we in onze ogen over datgene wat Lucas hier Jezus in de mond legt. Daar wordt verteld over een slaaf die het vanzelfsprekend vindt dat hij na een ganse dag zwaar lichamelijk werk op het veld en in de stal, s’avonds ook nog het huishouden doet en zijn heer een maaltijd toebereidt en serveert vooraleer hij zelf iets te eten krijgt en dan doodmoe in zijn bed valt. Er alleen voor zijn heer te zijn en hem te dienen, dat is de zin en het doel van zijn leven, zo wordt ons meegedeeld. En, als samenvatting van deze zinnen: Wanneer hij dat allemaal heeft gedaan, dan heeft hij toch alleen maar dat gedaan waarvoor hij er is, en dat is geen bijzondere dank of loon waard.
Vooraleer jullie je nu opwinden omdat jullie denken: „Dat is toch onmenselijk, zo gaat ge toch met niemand om!” wil ik jullie er wel op wijzen dat Jezus deze knecht-meester relatie niet tot de zijne maakt of er zelfs maar een positief oordeel over geeft. Ik geloof ook niet dat Jezus er ook maar één ogenblik aan gedacht heeft om dergelijke afhankelijke relaties tot voorbeeld te stellen. Maar voor zijn toehoorders, zowel mannen als vrouwen, was dit, onafgezien van enig waardeoordeel, een zeer bekend en alledaags gebeuren. Met dit voorbeeld wil Jezus voor eens en voor altijd duidelijk maken dat het loon- en prestatiedenken, dat voor de mensen van toen even kenmerkend was als voor de moderne mens nu, voor God helemaal geen rol speelt. Zowel de Farizeeën, die al hun daden, hun morele en religieuze prestaties altijd verrekenden met het loon dat ze er van God voor zouden krijgen, alsook de eigen leerlingen, zowel de mannen als de vrouwen, wil Jezus met dit polemische beeld van de slaaf duidelijk maken dat een dergelijke manier van denken voor Hem en voor zijn Vader totaal verkeerd is.
Misschien vraagt u zich nu af wat dit alles met de leerlingen van Jezus te doen heeft. Ze hebben Jezus tenslotte niet gevraagd om voor hen iets positief aan te rekenen, ze vroegen Hem alleen maar om versterking van hun geloof. Maar is het dan zo vreemd te veronderstellen dat die vraag van de leerlingen niet juist op een dergelijke achtergrond zou baseren? Ze hadden tenslotte toch allemaal hun beroep opgegeven en hun families verlaten.
Is het dan niet gewoon menselijk om zich af te vragen: Heeft zich dat voor mij ook geloond? Ze twijfelen eraan dat die navolging van Jezus zich voor hen werkelijk loont. En ik moet zeggen, ik kan hen daar wel voor een groot deel begrijpen. Dagelijks ervaren ze het onbegrip waarmee hun oude vrienden en kennissen hen bejegenen; succesbelevenissen blijven uit en er ontstaan bij hen ook twijfels of die Jezus zijn roeping van Messias wel degelijk tot een goed einde zal kunnen brengen. En dan zou je niet mogen vragen: waartoe al die inspanningen? Welke resultaten worden daardoor bereikt? Wat krijg ik eigenlijk voor al mijn prestaties? Vragen die wij, wanneer we eerlijk zijn, in die omstandigheden toch ook zouden stellen.
Dat eeuwige prestatiedenken, dat zich in ons dagelijkse leven zo zeer heeft ingedrongen, laat zich ook op religieus gebied niet helemaal uitschakelen. Niet alleen het kinderlijke denken dat alleen die in de hemel komt die goed doet, ook andere denkpistes komen uit het bereik van de religieuze verrekening van geleverde prestaties. Goede daden worden beloond en slechte daarentegen bestraft. Het beeld van die God die al onze goede en slechte kanten ooit zal samentellen en daar dan aansluitend het loon of de straf daarvoor zal vastleggen, zit nog diep in ons en wordt door sommige onverzoenlijke boetepredikers ook vandaag soms nog aangewakkerd. Iemand die beter is, die meer presteert en minder zondigt, die veel goede daden doet en de geboden onderhoudt, die komt ooit heel hoog in de hemel terecht. De andere, die alleen maar aan zichzelf denkt en kwaad doet, die komt volgens deze logica dan op die plaats terecht, die bij ons als Hel geboekt staat.
Alleen: dat beeld van die God die als een boekhouder al onze prestaties noteert en beoordeelt wordt in het evangelie van vandaag met één enkele haal van tafel geveegd. Wanneer we al onze taken hebben vervuld hebben we gewoon alleen maar dat gedaan wat we verschuldigd waren. Dat begrijpen is niet gemakkelijk, want het spreekt onze gangbaar beeld tegen dat diegene die naar Gods wil heeft geleefd anders moet worden beloond dan diegene die onverschillig stond tegenover Gods woord. Maar hoe zwaar het ons ook valt om zo te denken: In gelijk welke relatie met God is prestatiedenken verkeerd. Is dat uiteindelijk geen troostende boodschap? Wanneer prestaties niet worden verrekend is er ook geen prestatiedruk om zo veel mogelijk goede daden te kunnen voorleggen. Ik moet mijn leven leven met alle taken die daarmee verbonden zijn, met de sterke en de zwakke kanten die mij gegeven zijn en met de mogelijkheden en begrensdheden die daarbij horen.
Hadden wij maar een geloof ter grootte van een mosterdzaadje – dan konden we misschien wel geen bergen verzetten, dat kan alleen God – maar we zouden Hem zo kunnen vertrouwen dat we niet bang voor hoeven te zijn dat loon, straf en prestaties bij Hem geen categorieën zijn die Hij opeist. En wanneer God de prestaties niet verrekent, dan hoeven wij dat zeker ook niet te doen. We mogen ons niet later tegenhouden door de angst dat we te weinig werk, succes en verdiensten aan God zouden kunnen voorleggen of dat Hij ons gelijk wat zou moeten aanrekenen. Laten we ons liever leiden door de boodschap dat ons geloof overeenkomt met een diep vertrouwen op een liefhebbende en barmhartige God. En als dat geloof ook maar zo klein is als een mosterdzaadje, het verzekert aan iedereen de toegang tot het rijk Gods; Amen.