vertrouwen IN

 

27 C 2010  Habakuk 1,2-3. 2, 2-4   Lk 17,5-10 

Wat we Habakuk - blijkbaar vanuit zijn hart-  in de eerste lezing tegen God horen zeggen, ik denk dat dit ook ieder van ons naar het hart gaat, en wat hij zegt ook een beetje een spiegel is van ons eigen hart: 'Mijn God, waar zijt Gij? Zoveel  geweld en onrecht in deze wereld. Zoveel lijden. De wet wordt geminacht, mensen worden verdrukt. Overstromingen en natuurrampen treffen zoveel arme, onschuldige mensen. En u, mijn God, waar blijft Gij? Ik zie niets van u en ik hoor niets van u. Hoe kunt u dat laten gebeuren?'  Bedenkingen en vooral een gevoel dat ook onszelf soms overspoelt. Daarmee zitten we meteen bij een kernprobleem van onze godsdienst: is God almachtig? Is Hij algoed? of is Hij het allebei? Als God àlgoed is én tegelijk àlmachtig, hoe  kan Hij dan dat lijden toelaten?                                                                                                                               Het is een eeuwenoude vraag die theologen nog altijd bezig houdt, en die opnieuw  heel sterk naar boven is gekomen na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog , en die ons wellicht meer dan anders bezig houdt, gezien de recente gebeurtenissen    -in de wereld en zelfs in onze eigen kerk- .  Maar het is een vraag waarop ze geen passend antwoord vinden.                                                                                                         Moeten wij niet de betekenis van 'Almacht' niet herzien, misschien zien we het te aards: zien we God als een superkrachtpatser die àlles kan op om het even welk moment. En dat zouden we wel graag willen.                                                                         Misschien moeten we eens aandachtiger gaan kijken naar de vertaling die de Bijbelvertalers gemaakt hebben van  ElSjadai, het Hebreeuwse woord voor God, wat betekent 'de God van de berg en de God van de weg', wat sinds de H. Hieronymus  in de 4e eeuw in het Latijn vertaald is door 'omnipotent' en vandaar in het Nederlands door  àlmachtig. Hebben we het niet verkeerd vertaald, zijn we niet teveel onze eigen gang gegaan, los van de Joodse godsopvatting waaruit ons Christendom is voort gekomen?                                                                                                                                          Ik wil hier dit probleem niet vérder behandelen, maar het stemt wel even tot nadenken, zeker wanneer we in de liturgie vandaag zo'n tekst als die van Habakuk lezen.     

En als Jezus het heeft over God of over zijn Vader, dan heeft Hij het over de liefhebbende en barmhartige Vader en God. Jezus gebruikt voor God of Zijn Vader nooit het woord 'almachtige'. Wel heeft Hij het over de wil -of misschien nog beter-  de WEG van de Vader gaan: de weg van gerechtigheid, barmhartigheid, liefde. Het Koninkrijk Gods dat Jezus preekt en dat God ook aan Habakuk belooft kan blijkbaar niet -zomaar, meteen-  gerealiseerd worden, het moet blijkbaar door mensen voorbereid worden. Die droom van God met de wereld kan blijkbaar niet zonder het meewerken, het meescheppen door de mens. Gods schepping is niet af, Gods Schepping gaat nog steeds verder ,samen met mensen. Dat maakt ons het eerste Scheppingsverhaal duidelijk.  God doet sinds de schepping van de mens ook beroep op de mens. En dan kan een mens wel eens voor een berg komen te staan. Het onrecht in de wereld is zo groot, het lijden dichtbij en veraf is zo groot dat we het niet zien zitten      en dan maar  met de handen in de schoot gaan zitten.                                                                                  Geen wonder dat -wanneer de apostelen zich dat ook realiseren- ze zeggen: Heer geef ons meer geloof. En dan heeft geloof niets te maken met 'ik geloof dat er een God is, of ik ben kerkelijk,  of ik doe niemand iets verkeerds', maar dat geloof heeft dan te maken  met 'vertrouwen in': vertrouwen IN Gods belofte  dat mijn inzet tegen onrecht en lijden niet voor niets is.                                                                                                                             Je kunt geloven aan iets, je kunt geloven dat iets of iemand bestaat, maar dat is iets heel anders dan geloven IN iemand. Als je IN iemand gelooft, dan geloof je dat hij het kan, dat hij toekomst ziet, dat hij het bij het rechte eind heeft, dat wat hij u belooft   waar is en dat hij het waar zal maken. God heeft geen anderen handen en voeten in deze wereld als die van de mens  en het zijn mensen die door God bewogen worden om op te komen en zich daadwerkelijk in te zetten om van deze wereld een bewoonbare wereld te maken voor alle mensen, zowel dichtbij als veraf.  Maar veelal zien we het niet zitten. De problemen zijn zo groot, zo veelvoudig, veelal zien we weinig of zelfs geen resultaat van onze inzet, en we ervaren het alsof onze inzet zinloos is, geen enkel belang heeft. Ons kort zicht verlamt ons. Toch is er geen andere kracht dan God die door mensen dingen kan veranderen en daarom is vertrouwen zo belangrijk. Als we geloven IN God dan vertrouwen wij erop dat zijn belofte waar is, dat onze inzet tegen onrecht en lijden en een menselijker wereld niets voor niets is.                                                                                                                                                         In die korte tijd die wij leven, want ons leven is relatief gezien eigenlijk vrij kort, zien we inderdaad misschien weinig vooruitgang, want we verliezen het geheel uit het oog en het verlamt ons. Maar als we kunnen vertrouwen in God, IN Zijn belofte, dan geloven en vertrouwen we er ook op dat onze inzet niet voor niets is. Dan zullen bergen van lijden en bomen van onrecht wellicht niet meteen wijken, maar mede door uw doen, zegt de Heer, en met vertrouwen op Gods kracht in , zàl het gebeuren.                                                           

Die inzet, zegt Jezus nogal uitgebreid in de parabel van de knecht, doe dat  niet om een bekende naam te worden, niet om door mensen geprezen te worden, niet om te tonen hoe mild je bent (op de kap van anderen)  maar  omdat je in Gods belofte gelooft en je daartoe dienstbaar  wilt zijn, zoals de knecht in het evangelieverhaal van vandaag.En wij zijn maar knechten van de Heer, in het spoor van Jezus die ook knecht van God genoemd wordt.