27e zondag door het jaar C

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Een bisschop is gewoonlijk geen surrealist. Hij zoekt niet hoe hij een boom kan ontwortelen om hem in de zee te planten. Het leven is voor hem geen spel en geen protest. Hij werkt gewoonlijk zeer hard, zoniet als "ploeger of veehoeder", dan toch als herder, "in dienst" van dezelfde Heer die de Apostelen, zijn voorgangers, onderwees. Ge zijt "gewone knechten", zei Hij, en aan de doorsnee bisschop valt het moeilijker dit aan te nemen dan te geloven dat hij een "nutteloze knecht" is, zoals de eeuwenoude vertaling zegt. Dat laatste ziet hij dagelijks in de feiten.

Een doorsnee bisschop is een realist. Soms is zijn hele termijn één nutteloze vissersnacht, waarbij de Heer niet in de boot stapt en hem geen wonderbare wenken geeft, een nacht zonder morgen waar Jezus verschijnt en waarop hij zijn collega's kan zeggen: "Het is de Heer". Herder van een slapend volk, visser met gehavende netten, pastor en apostel met het geloof als enige schat.

Wee de bisschop die dat geloof niet heeft. Hij is als een vader of een moeder, die van de kinderen de bons krijgt. Hij is als een onderpastoor die tijdens de oorlog of onder de repressie geen witte met een zwarte kan verzoenen. Hij is als Habakuk, de kleine profeet, onbekend, ongevraagd, ongewenst, gewone en nutteloze knecht van God, die nooit verzoening in het land ziet, en die de vijand nooit ziet vertrekken. Machteloos ziet hij toe hoe de moerbei van het kwaad zijn wortels altijd dieper in de grond werkt, hoe de rijke altijd rijker en de arme altijd armer wordt, hoe de ene God vergeet en de andere Hem vervloekt.

Habakuk, de onderpastoor, de bisschop, de vader en de moeder, staan in de generiek van de levensfilm bij de elektriciens en de decorateurs: geen kat vraagt naar hun bijdrage, laat staan naar hun succes. Alleen het eigen clubje kent ze, als één van de twaalf kleine profeten, als één van de kleine groep van werkers in de Kerk, als één van de ouderwetse koppels in de buurt die verder uiteenvalt.

De bisschop die wel geloof heeft, heeft ook een visioen: "Dit visioen", zegt Jahwe, "al wacht het de vastgestelde tijd nog af, hunkert niettemin naar zijn vervulling". Realist is hij die ziet wat nog niet is, die gelooft in zijn visioen van bisschop of onderpastoor, van vader of moeder, van kleine profeet. "De vreugde kwam altijd na de pijn".

Jezus' visioen is Jeruzalem. Ook zijn vreugde kwam altijd na de pijn en Hij verlangde dat die van zijn apostelen ooit volkomen zou zijn. Hij gaf geen "pil voor iedere gril". Hij wist dat de pijn van de laatste levensgril met geen pil te stillen is. Hij werkte zelf als een slaaf en wist dat Hij de Zoon was. Hij nodigde uit tot Godsvertrouwen opdat zij die als gewone knechten werkten, zouden ontdekken dat zij zijn vrienden waren, zijn broeders en zo Gods kinderen.

Wie het visioen doodt, doodt het kind dat weer zou kunnen dromen: hij heeft al zelfmoord gepleegd in zijn hart. Die wanhoop en die wandaad zijn te lezen op de talloze gezichten, van hen die niemand meer als "knechten" dienen, die niet meer hopen iemands vriend te worden. Hun bisschop hoeft niet slimmer of sterker te zijn. Als hij zijn geloof maar niet verliest in de vervulling van zijn visioen.