27e zondag door het jaar C

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

De niet zo bekende en weinig geciteerde joodse profeet met de voor ons wat rare naam Habakuk heeft, denkt men, geleefd omstreeks 600 voor Christus. Hij klaagt zijn nood tegen Jahwe: ‘Hoe lang moet ik U nu nog aanroepen', zegt hij, ‘voordat U eindelijk luistert. Hoe lang moet ik de hemel nog met mijn vragen bestormen, terwijl U toch geen uitkomst biedt'. Want die Habakuk ziet overal ellende om zich heen: tweedracht, onrecht en allerlei criminaliteit onder het eigen volk. En intussen rukken de Babylonische legers op om hen onder de voet te lopen. En dus vraagt de man Gods zich vertwijfeld af waarom God dit allemaal toelaat: ‘Waarom grijpt Ge niet in?'.

De vraag van de profeet van toen is de vraag van alle mensen in alle tijden: Als er een God bestaat, waarom laat Hij dan toe wat er allemaal gebeurt, gisteren in Bosnië, vandaag in Rwanda, morgen in het Midden-Oosten of een andere brandhaard. Of in eigen omgeving: Waarom moet mij, moet ons dat overkomen? Waaraan hebben we dat verdiend? Waarom helpt Hij niet?

Al dat verdriet, zoveel ellende, brengt ons geloof voortdurend aan het wankelen, en ongeduldig roepen we met Habakuk naar de hemel om hulp. En met de apostelen vragen we: ‘Heer, geef ons meer geloof!'.

Aan Habakuk gaf de Heer als antwoord: ‘Al duurt het lang dat alles goed komt, al komt je droom nog niet uit, houd vol. Eens komt alles in orde. Geloof vraagt geduld'.

Wanneer de leerlingen aan Jezus om meer geloof vragen, vragen ze eigenlijk ook om meer vertrouwen in de toekomst. Want de gelovigen onder wie Lucas werkte, wachtten - toen hij het evangelie schreef - al vijftig jaar op de wederkomst van Christus. Die bleef maar uit, en ze moesten zich leren verzoenen met de gedachte dat zij in zijn geest op eigen kracht verder zouden moeten. En omdat ze voortdurend denken dat ze dat niet kunnen, leert Lucas hun dat ze met een beetje meer vertrouwen grote dingen kunnen doen. Met een beetje, maar dan echt, godsvertrouwen kun je bergen verzetten, kun je dingen aan waartegen je als tegen een berg opzag.

En tegen mensen, die - net andersom - denken een groot en stevig geloof te hebben (en die waren en zijn er ook onder zijn volgelingen), tegen hen die denken dat ze trouw hebben gebeden, op tijd hebben gevast, en hun geloofsplichten hebben gedaan, zodat God wel tevreden over hen zal zijn, en hen rijkelijk zal belonen, tegen zulke volgelingen zegt Jezus: ‘Als je alles gedaan hebt wat je moest doen, ga daar dan niet groot op. Denk niet dat God bij jou in het krijt staat, en dat Hij verplicht is jou daarvoor te honoreren. Je bent en blijft tegenover Hem maar als gewone knechten die niks meer dan hun plicht deden'.

Bidden om meer geloof is, als alles tegenzit, vragen om meer en echt godsvertrouwen. En bidden is, als alles goed gaat, dank zeggen en bescheiden blijven.