25e zondag door het jaar C

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

"Er was eens een rijk man"... Zo beginnen de sprookjes. Van Jezus, die naar Jeruzalem trekt, verwachten we eigenlijk geen sprookjes. En inderdaad, wordt het een parabel. Het sprookje tovert het kwaad weg. Het goede zegeviert er altijd. Jezus' parabels toveren het kwade niet weg, ze dringen door in het hart van wie ze hoort, ze brengen een lijn in de slierten van zijn gedachten, herinneringen en hoop, over goed en kwaad, over leven en dood, ook over rijkdom en armoede. Wie Jezus' parabels hoort, moet kiezen.

In zijn parabel over de "rijke man" valt Hij het hele gedoe aan van "de kinderen van deze wereld", van allen die in de wereld van het geld elk "overleg" prijzen dat nog meer geld opbrengt. Tot deze wereld behoort de onrechtvaardige beheerder, die de schuldbekentenissen vervalst, behoren de schuldenaars, die hun schuldeiser bedriegen, behoort de "rijke man" zelf, "de heer" van de parabel, die zijn econoom prijst, ook al handelt hij onrechtvaardig: hij is van hetzelfde ras. In zijn plaats zou hij hetzelfde gedaan hebben. Hij zou misschien niet zover gedacht hebben en prijst de gewiekstheid van zijn man, die hem in andere omstandigheden zo dikwijls verrijkt heeft en die nu zijn eigen toekomst beveiligt, nu hij aan de deur gezet wordt. Jezus observeert het hele pakket. Zijn parabel stelt twee werelden tegenover elkaar: die van het geld en die van God, die van "de ongerechte mammon" en die van "het waarachtige goed"; die van het "onderdak", dat onderling geïnteresseerden elkaar verlenen en die van de "vrienden", de armen, die de rijken die hen uit liefde helpen, "in de eeuwige tenten opnemen"; die van hen die "het kleinste", het geld, met "het grote", met Gods goed, verwarren en die van hen die Gods goed "het hunne" noemen, die weten dat ze het van Hem ontvangen, dat ze bij Hem thuis zijn, dat ze het niet kunnen of hoeven te kopen, en dat wat ze hier op aarde ook beheren, weinig of veel, "andermans goed" blijft, "Gods goed" blijft, hun leven lang en dat ze op het einde van hun leven, wanneer het deel van "de onrechtvaardige mammon", dat ze in beheer zullen gekregen hebben, hun "komt te ontvallen", rekenschap zullen moeten geven van hun beheer. Onrechtvaardig of zelfs rechtvaardig "overleg", "rentmeesterlijk" overleg zal dan tot niets meer dienen.

Er is geen onoverbrugbare kloof tussen "de kinderen van deze wereld" en "de kinderen van het licht". De brug tussen beide werelden wordt precies gebouwd met "overleg", met de heerlijke vrijheid die God aan allen gelijk gegeven heeft. Die vrijheid en de mogelijkheid tot overleg zijn geen exclusieve eigenschappen van "de kinderen van deze wereld". Het zijn geen voorrechten. Jezus' opmerking dat "de kinderen van deze wereld" er meer gebruik van maken dan "de kinderen van het licht" verraadt zo mogelijk meer ironie en verwijt aan het adres van deze laatsten dan veroordeling van de eersten. Vrijheid, mogelijkheid tot overleg en verstand zijn aan iedereen gegeven. Vooraleer "de onrechtvaardige rentmeester" tot "onderling overleg" kwam met de andere "kinderen van deze wereld", "redeneerde hij bij zichzelf". Hij had na overleg met zichzelf kunnen aansluiten bij "de kinderen van het licht".

Jezus' parabel over "de onrechtvaardige mammon" is een sterk verhaal over de vrijheid van elke mens. De keuze om het geld te aanbidden in plaats van "de Gever van alle goed", kan leiden tot de ergste slavernij. De oude profeet Amos striemt het de rijken van Israël en Samaria in het gezicht. Zij sleuren hun zichtbare en tastbare geldgod aan en denken dat de discrete, ja, de onzichtbaar blijvende Jahwe zelfs geen acht slaat op hun daden. Ze verdrukken de armen, verdelgen zelfs "de misdeelden in het land" en wie overblijft, wat overblijft aan kleine lieden, kopen ze op als slaven. Zelf zijn ze slaven van hun geld. "Geen van hun daden zal Ik ooit vergeten", zegt Jahwe.