25e zondag door het jaar C

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Er was eens een dorp met duizend inwoners. Van die duizend waren er driehonderd heel rijk, en zevenhonderd straatarm. Die rijke mensen kregen elke dag drie kilo eten, en die andere zevenhonderd moesten elk met één ons zien toe te komen. Dat dorp heet ‘onze wereld': 94 procent van alle goederen is van ons die tot het rijke Westen behoren, en zes procent is voor die andere, arme kant van de wereld. Zolang dat zo slecht verdeeld blijft, kan er geen echte wereldvrede komen.

Sinds de profeet Amos is er dus nog niet zo veel veranderd. Namens God gaat hij tekeer tegen de rijken van zijn tijd. Ze knoeien met maten en gewichten om de graanprijs kunstmatig hoog te houden. Zo werden ook toen de vele armen de speelbal van een paar rijken. En zo - vond Amos - kon er nooit een samenleving groeien die God voor ogen stond. Zo zou er nooit vrede kunnen groeien.

In het evangelie vertelt Jezus een parabel over een onrechtvaardige rentmeester. Het door zijn heer aan hem toevertrouwde bezit heeft hij verbrast en opgemaakt. Wanneer hij voelt dat hij buiten gegooid gaat worden, gaat hij knoeien met de schuldbekentenissen van mensen die bij zijn baas in het krijt staan. Hij gooit het met hen op een akkoordje, en maakt hen zo tot zijn vrienden. Als hij straks op straat komt te staan, kan hij bij hen aankloppen. De ene dienst is de andere waard.

Jezus keurt zo' n manier van doen niet goed. Maar Hij prijst wel de vindingrijkheid en het even verder denken van die linke rentmeester. ‘De kinderen van de duisternis zijn slimmer dan de kinderen van het licht', zegt Jezus, want ze gaan tenminste met overleg te werk. Je kunt zeggen: om te kunnen overleven maakt die rijke rentmeester de armen tot zijn vrienden.

Wil onze wereld, willen wij nog toekomst hebben, zeggen vele deskundigen, dan moeten we de armen tot onze vrienden gaan maken. Eerder komt er geen vrede in onze wereld. Om ons te redden moeten we niet zo oneerlijk, maar wel even slim en vindingrijk worden als die rentmeester.

Nu de dreiging van een oorlog tussen het Westen en het Oostblok eigenlijk verdwenen is, kunnen we al onze aandacht gaan geven aan de verhouding tussen het rijke Noorden en arme Zuiden. Want vrede is onafscheidelijk verbonden met een eerlijke verdeling van aardse goederen.

Waar het geld, de mammon, alleen maar eigenbelang dient, is het een afgod, en houdt het ons van God af, drijft het mensen uiteen, die zich daarna tegen elkaar keren. Waar geld gebruikt wordt om armen tot vrienden te maken, komen we dichter bij God en zijn koninkrijk van gerechtigheid en vrede.

En eigenlijk is het niet alleen de mammon, die vaak onvrede sticht. Het is eigenlijk alles wat ons zo bezit dat we ervan bezeten zijn. Onze eigen taal, onze eigen cultuur, onze eigen grond. Waar al dat eigene eigengereidheid wordt, raakt de vrede zoek.

Laten we ervoor bidden en eraan werken dat de kinderen van het licht het winnen van de kinderen van de duisternis.