Iemand had twee zonen

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

Er zijn streekromans die als volgt samen te vatten zijn: ‘Boerenzoon Jan-Willem, die altijd al niet wou deugen, vertrok op een zekere dag naar de grote slechte stad, met een knip vol geld waar hij allerlei stouts mee deed. Maar gedreven door de herinnering aan zijn moedertje komt hij beroofd en berouwvol terug, liefst op kerst- of oudejaarsavond. Daar staat hij plotseling midden in de kamer. De hond kwispelt en moeder pinkt een traan weg. Vader tuurt eerst nog wat nors in het haardvuur, geeft dan zijn zoon een eeltige hand, en mompelt: "Hier jong, een overall en een touw; de zwartbonte moet kalveren". En ze leefden nog lang, sober en gelukkig'.
Het verhaal van de verloren zoon lijkt op zo'n vertelling. Een gaaf, afgerond verhaal, ingekleurd door bijvoorbeeld schilderingen van Jeroen Bosch of door onze eigen romantische behoeften. We kennen het maar al te goed; of denken het te kennen. En we vinden het prachtig.
Waarom vinden we het zo mooi? Omdat we zelf die zoon zouden willen zijn, of het vrouwelijke equivalent ervan. Ja toch? Eerst ‘den beest uithangen' met geld, drank en seks; als een vos achter je ei-gen staart aanrennend, graaiend en snaaiend je lust achterna. Vervolgens, als de centen op zijn en de lust over, terug naar huis. En dan met open armen en gemeste kalveren ontvangen worden ook nog. Eerst lekker verlopen en verloren, en dan je heerlijk schurkend in de nooit vervlogen nestwarmte. Na de prettige dood van de zonde het net zo prettige leven van de verzoening.
Nu hoor ik een rechtgelovige protesteren. Je vergeet het beslissende draaipunt in het verhaal, zegt hij. Die zondaar komt tot inkeer. Hij kreeg berouw en beleed zijn zondigheid: pas daarna kon hij terug, keerde hij om en verkreeg hij vergeving.
Wacht even, zeg ik dan op mijn beurt. Kreeg die jongen echt berouw? Welnee, hij kreeg honger, zo kwam hij tot zichzelf. En vervolgens pakte hij zijn terugkeer heel slim aan. Hij oefende zelfs de woorden die hij zeggen zou, met pathetische overdrijving en al. En zie: het beoogde effect bleef niet uit. Hij loopt vorstelijk binnen.
Nu echter roept het verhaal mij tot de orde. Want de hoofdrol gaat over van de zoon op de vader. Die ziet hem al van verre, alsof hij op de uitkijk stond. Die is ontroerd en houdt zich niet in. Vader is niet boos, maar ook niet wat veel erger is: verdrietig. En hij graaft niet in de psyche van zijn kind, pakt hem niet in zijn eigen edel-moedigheid, zeurt niet over vergeving. De obligate woorden van berouw hoort hij niet eens. Hij roept eenvoudig om eten en feest, en zegt ‘mijn zoon'. Daar word ik even stil van, van zo'n vaderschap met zoveel zogenaamde moederlijke trekken. Van zoveel warmende nabijheid en eerbiedige ruimte tegelijkertijd. Van zulke goddelijke menselijkheid.
‘En het feest begon', staat er dan. Punt. Het verhaal is afgelopen, met een ‘happy end'. Heel veilig: al lopen we verloren, het komt allemaal weer goed. Aan onze regressieve behoeften wordt tegemoetgekomen, wij kunnen rustig gaan slapen, want lang en gelukkig zullen wij leven. En gelukkig zonder veel soberheid.

Maar ik lees verder, en zie dat mét het feest het echte verhaal pas begint. Het tweede deel is de eigenlijke parabel. Wat moet dat allemaal met die andere zoon?
Wacht even, roep ik weer, dat ben ik natuurlijk níet. Die oudste zoon is altijd een ander. Hij staat voor die Farizeeën en Schriftgeleerden die op Jezus mopperden. Of voor Israël dat niet horen kon of wilde. Of voor de bisschop en de paus, of voor de voorzitter van de kerkenraad. Of voor de minister, de fractieleider of de oppositieleider. In die oudste zoon zijn alle braverikken en geloverikken verenigd, alle conservatieven en kerkelijken, alle thuisblijvers die weer eens ongelijk hadden.
Toch: als ik goed lees, moet ik bekennen dat het zo eenvoudig nu ook weer niet is. Die oudste jongen is namelijk niet wat je noemt slecht. Hij deed en doet wat hij doen moet: passen op de winkel en werken op het land. Allicht dat hij kwaad wordt, als hij hoort (via een omweg ook nog) wat er aan de hand is. Wat hij tegen zijn vader zegt, is verre van onredelijk. Hij stelt geen onmogelijke eisen en gooit zijn kont niet tegen de krib. Hij wil alleen maar een fatsoenlijke, gelijkwaardige bejegening.
Ik kan er niet onderuit: ik ben wel degelijk die oudste zoon. Thuisblijver, brave borst, redelijk persoon. En dit is mijn probleem: ik kan niet tot mijzelf komen als ik geen honger heb, ik kan niet omkeren als ik er al ben, ik kan nergens naar binnen als ik al binnen ben; of denk te zijn. Wie wil mij vinden als ik niet te zoeken ben? Wie doet mij herleven als ik nooit doodgelopen ben?
Ik krijg het onbehaaglijk warm, maar dapper lees ik verder. Ik vrees al te weten hoe dit tweede, eigenlijke verhaal zal aflopen. Die oudste zoon zal wel in het ongelijk worden gesteld en worden buitengesloten. Nou ja, dat zou tenminste duidelijk zijn.
Maar nee: het einde van het verhaal is hinderlijk open. Weer is het sterker dan ik, weer neemt vader het woord. Zijn verweer is geen verweer, maar hij ontwapent me wel. Als ik zeg ‘die zoon van u', zegt hij simpel: ‘die broer van jou'. En daarmee heeft hij zich volledig uitgesproken. Daar staat de oudste, voor een open deur. Daar sta ik voor de keuze.

Hier sta ik. Nog steeds in het verhaal dat nooit afgelopen is. Ben ik die jongste zoon, los gegroeid en verloren geraakt? Laat er dan iemand zijn die mij weten laat dat er ergens gewacht wordt op mij, zomaar omdat ik mens ben. Met graagte zal ik mij laten vinden. Ben ik die oudste zoon, vastgegroeid in mijn gelijk en verzonken in mijzelf? Laat er iemand zijn die mij serieus neemt en een keer brengt niet in mijn levensreis maar in mijzelf. Die mij bevrijdt en kiezen laat.
Is er ergens zo iemand? Soms is het een vader, soms een moeder, een kind, een vriendin, een vijand. Er zijn mensen die van verre uitzien, er zijn er die dichtbij mij dooreenschudden. Zij zeggen en doen, dat mijn naasten broers en zussen van mij zijn. Meer niet - maar het is alles.
In zulke mensen wordt die Ene openbaar die ‘het leven zelf uit de dood opdelft', die zoekt en vindt en niet aflaat. Het is de God van Abraham, God van Mozes, God van Joël en Debora; die in het licht riep, ‘mens waar ben je?'. Het is de God van altijd weer opnieuw, God van nabijheid en ruimte tegelijk. Een God van, in, door en met mensen; geen ander dan Die, de moedervader, een moeilijke vriend.