23e zondag door het jaar C

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

"Als iemand zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn". "Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn". Wie haat nu zijn eigen leven? Wie heeft er plezier aan een kruis te dragen? "Zijn" kruis nog wel, alsof er een kruis was dat van hem moest zijn, dat voor hem zou bestemd zijn, ergerlijker nog, dat iemand voor hem uitdacht, of absurder, dat het lot aan elkeen kon opleggen?

"Niemand van u kan mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit". Wie kan zich van alles losmaken? In het bijzonder van zijn meest persoonlijke bezit? Om met de ouden te spreken: van "zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters"? Wie zich van dat alles moet losmaken, kan zich evengoed van "zijn eigen leven" losmaken. Hij kan het rustig "haten". Het zal hem niet moeilijk vallen.

Wat spreekt Jezus eigenlijk over ‘‘ervoor gaan zitten" en ‘‘overleggen''? Wat vergelijkt Hij de kandidaat-leerling met iemand die "een toren wil bouwen" en nodigt Hij hem uit "een begroting te maken of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien", of met een "koning die ten oorlog wil trekken" en nodigt Hij hem uit om te zien "of hij sterk genoeg is om met tienduizend man het hoofd te bieden aan wie met twintigduizend man tegen hem optrekt"? Het is omdat een mens die geen leerling wordt, toch het kruis op zijn weg vindt. Jezus nodigt iedereen uit na te denken niet of, maar hoe hij zijn kruis wil dragen. Het is omdat een rijk man er op uit moet zijn zijn bezit te beveiligen, met een sterke toren zijn domein te beschermen, duidelijk moet maken dat niemand tegen hem opkan. Als hij daar niet in slaagt, is zijn bezit in gevaar, staat hij blootgesteld aan wie hem belaagt en dat zijn al de anderen, al de knechten in zijn huis en al de andere meesters rondom hem. Hij zit met een hachelijk probleem waarop hij beslist moet antwoorden. "Zijn vrouw en zijn kinderen, ja zelfs zijn eigen leven" staan op het spel.

Het is omdat een koning op een rijk man gelijkt die er aan denkt een toren te bouwen, méér nog, op een rijke die reeds weet dat hij een toren moét bouwen en omdat beiden op de kandidaat-leerling gelijken die Jezus heeft zien voorbijgaan, op weg naar Jeruzalem, en die er aan denkt leerling te worden. Zolang hij geen stap zet, zolang het blijft bij "zal ik of zal ik niet", blijft hij - maar enkel voorlopig - "veilig" in de dorpen en steden van de thuisblijvers en de eeuwige aarzelaars. Zijn aarzeling zelf kan zijn kruis worden. De man die Jezus op diens doortocht ontmoet moet er wel aan denken Hem naar Jeruzalem te volgen. Hij moét wel, zoals de rijke torenbouwer, "er voor gaan zitten" en gaan cijferen. Hij moét wel, zoals de koning reeds op veldtocht, met zijn generaals "overleggen". Als hij er aan denkt Hem niet te volgen, als "hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit", zal zijn bezit zich van hem losmaken, zoals de rijke, die geen toren bouwt, zijn onbeveiligde domeinen zal verliezen, zoals de koning, die de strijd niet opneemt, reeds vooraf overwonnen is.

Wie Jezus volgt mag zijn kruis opnemen, wie Hem niet volgt, moet het meesleuren. Als Jezus uitnodigt tot totale verzaking legt Hij geen ondraaglijke last op. Hij nodigt uit leerling te worden, bij Hem in de leer te gaan, om de last, die er toch al is, op de beste manier te leren dragen. "Kom allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken". Wie Jezus' geheim ontdekt heeft en Hem volgt, haat "zijn eigen leven" van vroeger, en dat van zijn ouders, zijn vrouw en zijn kinderen. Hij zoekt te redden en gered te worden en haat uit liefde wat ten dode is opgeschreven.

"Wie zou uw wil kunnen kennen, als Gij hem het inzicht niet geeft", schrijft het Boek Wijsheid. In Jezus is de Wijsheid Gods gegeven die het kruis leert dragen. Alleen wie zonder kruis is hoeft niet te "overleggen" hoe hij het zal dragen.