22ste zondag C (2007)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 194 niet laden

OPENINGSWOORD

Broeders en zusters, wij zijn gedoopt. Door dit sacrament woont de drieëne God in ons, Vader, Zoon en heilige Geest. De heilige apostel Paulus zegt het volgende: "Gij weet het, uw lichaam is een tempel van de heilige Geest, die in u woont" (1 Kor. 6, 19). Wij moeten natuurlijk voor ieder mens respect hebben, want ieder mens is uit zijn ouders èn uit God geboren, heeft zijn ziel van God ontvangen, maar in een gedoopte mens wóónt God, wèrkt God. Wij knielen voor het tabernakel, omdat Jezus Christus, daar met ziel en lichaam en heel zijn godheid aanwezig is. Daar moeten wij nooit zo maar aan voorbijgaan. Maar in de gedoopte mens is God ook aanwezig als in een tabernakel, alleen geestelijk, maar daarom niet minder werkelijk.

Voor de keren, dat wij te weinig respect toonden voor God en voor de eigenheid van een medemens willen wij nu samen om vergeving vragen.

OPENINGSGEBED

Laat ons bidden. Heer God, al wat klein is en nietig, wordt door U verheven. Ofschoon wij arm en hulpbehoevend zijn, hebt gij ons tot uw tafel samengebracht. Wij vragen U: blijf de gastheer in ons midden. Schenk aan allen die Gij hebt genodigd, uw genade en uw vreugde. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon ... . Amen.

KINDERWOORDDIENST

PREEK

Broeders en zusters, alles wat leeft moet groeien. Bomen, bloemen en dieren planten zich voort, worden groter. Mensen moeten ook groeien. Niet alleen in de lengte, maar ook in kennis en vooral in liefde en wijsheid. Als iemand of iets niet groeit, kan dat maar één ding betekenen: hij of het is dood.

Datzelfde God ook voor Gods aanwezigheid in ons. Die moet eveneens groeien, sterker worden. Gods werken in ons moet steeds machtiger worden. De ‘hoeveelheid genade' in ons moet groter worden, steeds meer liefde, steeds meer wijsheid, totdat wij eens in de hemel komen om dan net als Moeder Maria helemaal vol van genade te zijn.

Nu staat er in de eerste lezing van vandaag dat de macht van de Heer groot is, maar dat Hij geëerd wordt door de nederigen. Veel vooral mensen hebben een of ander idool, een ster in de sport- of muziekwereld op wie zij wel zouden willen lijken: zij kan geweldig zingen en dansen, ik probeer dat niveau ook te bereiken. Dat mag. Maar bij God werkt het eigenlijk andersom. God is heel machtig, almachtig, en ik ... ik ben eigenlijk niets. Als God zich met zijn blijdschap ook maar een beetje van mij terugtrekt laat ik gauw de schouders hangen en reageer ik mijn stemming af op mijn medemensen. Ik vind ze maar lastige zeurpieten, die mij beter met rust kunnen laten.

Als wij gaan doen alsof wij net als God zijn, groot, machtig en belangrijk, dan trekt God zich heel bescheiden terug en zegt: Nu, laat maar eens zien wat je kunt. Wel, in zijn eerste brief aan de christenen van Korinte (12, 3) zegt Paulus, dat wij niet eens kunnen zeggen "Jezus is de Heer" zonder dat de heilige Geest ons daarbij helpt. Als God en onze ouders niets hadden gedaan zouden wij niet eens hebben bestaan. Uit onszelf stellen wij dus helemaal niets voor.

Proberen wij bijveerbeeld eens zo te bidden: "Goede God, wat bent U groot en wat ben ik klein en zwak. U hebt het heelal geschapen met zijn prachtige ordening in zon, maan en sterren en ik ... mij lukt het vaak niet eens om mijn bureau op orde te houden, laat staan een heelal. Ik zou wel anders willen, God, maar ik ben zo vaak ongeduldig. Ik vind mezelf zo gauw zielig en dan kan ik niet meer trouw zijn aan wat ik heb beloofd". Als wij zo bidden, beste medegelovigen, zullen wij voelen dat Gods aanwezigheid in ons sterker wordt, dat Hij ons meer helpt. Normaal gesproken zal een dokter iemand alleen maar helpen als iemand zegt, dat hij zich niet goed voelt. Ook God helpt ons als wij zeggen, dat wij niet helemaal goed zijn.

Als wij ons kwaad maken, lieve mensen, dan is dat een blijk van gebrek aan nederigheid, dan zijn wij hoogmoedig. Wij denken, dat wij beter zijn dan anderen. Wij zijn kwaad, omdat wij menen, dat de anderen moeten zijn als wij. Als wij meer doordrongen waren van onze eigen zwakheid, zouden wij meer begrip opbrengen voor de fouten van een ander. Wij mogen iets erg vinden, maar wij mogen ons niet ergeren, ons niet kwaad maken. God zou zich kwaad mogen maken. Hij is de Rechter. Hij staat boven alles en iedereen. Hij heeft altijd alles goed gedaan, maar zelfs God maakt zich lang niet altijd kwaad.

Als wij nederig zijn, erkennen dat wij klein en zwak zijn, zal de genade snel in ons groeien. Het is onze belangrijkste, dagelijks terugkerende plicht er voor te zorgen, dat de genade in ons groeit. Dat is ook het enige waardoor wij gelukkig kunnen worden in dit leven tot over de grenzen van de dood heen: door Gods genade. Sommige mensen blijven jaren lang dezelfde. Zij groeien niet. Dat kan een beproeving zijn, het kan echter ook komen door een stukje hoogmoed: doordat zij hun kleinheid niet toegeven, krijgt onze grote en almachtige God niet veel kans om voor hen iets te doen.

In het evangelie hoorden wij hoe ook Jezus ons aanspoort de minste plaats in te nemen. Iemand, die dat doet, is gemakkelijk in de omgang. En daar gaat het om. In Johannes 13, 35 zegt Jezus niet, dat wij zijn leerlingen zijn door veel te doen, veel te organiseren, maar door de liefde onder elkaar te bewaren. Ook al zijn wij christenen, wij zullen op aarde nooit volmaakt zijn, wij zullen het nooit in alles met elkaar eens zijn. Dat geeft ook niet ... als wij elkaars zwakheden maar verdragen, met elkaar in gesprek blijven. Het is niet allereerst onze opdracht iets te presteren, maar gemeenschap te zijn. En dat kan dikwijls alleen maar lukken als je bereid bent de minste plaats in te nemen.

Wij voelen allemaal weleens iets van Gods genadewerking in ons. Jezus Christus zegt: wie zichzelf verheft zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verheven worden. Laten wij nooit een ander omlaaghalen, ook niet in ons denken, nooit breken met een ander. Als wij breken zeggen wij: jij bent te min voor mij. Gaan wij zelf op de minste plaats staan. Dan zal er spoedig heel wat meer vrede zijn.