Maaltijd in het huis van een Farizeeër (Lc. 14,1)

Maaltijden zijn uiteraard belangrijk. Zelfs wie vandaag verzadigd is, moet morgen opnieuw aan tafel. Aan het eten wordt veel tijd besteed. Dit verschilt volgens cultuur. Fast food is niet voor elke dag.

Maaltijden inrichten is niet zo eenvoudig. Bij een aantal gaat er veel protocol meegepaard. Op 13 en 14 juli 2008 vergaderde in Parijs de top voor de Unie van de Middellandse zee. Het geheel zou 16,6 miljoen € hebben gekost, waarvan 2,3 miljoen € enkel voor de twee galadiners. President Sarkozy hield zich met alles bezig, met het menu en de plaats van de genodigden en met de aard van het geschenk voor veertig staatshoofden en regeringsleiders met hun partner: een balpen ter waarde van 400 € en parfum voor de dames (Arnaud Leparmentier, Au temps du sarkozysme flamboyant, L. M. 30 maart 2012).

De ene kan op één avond uitgeven waar armen een jaar kunnen mee leven. Sarkozy hield de avond van zijn presidentskeuze in 2007 een maaltijd in het befaamde restaurant le Fouquet. Hij heeft gans zijn presidentschap die opvallende maaltijd bij Fouquet moeten verteren!

We moeten de Bijbel niet openslaan om er veel tafeletiquette te vinden. Het boek Leviticus heeft een aantal voorschriften over wat mag gegeten worden - over rein en onrein voedsel - en over de wijze om het te eten (Lev. 11). Maar Jezus en zijn compagnons gingen daar nogal vrij mee om (Lc.11. 37-38).

Jezus heeft alvast een visie op de betekenis van de maaltijd, zeker van een feestmaaltijd. Hij drukt ermee uit wat het Gods rijk betekent. Elke dag had hij de zorg voor het dagelijks brood en wanneer dit er niet was, durven de leerlingen aren plukken (Lc. 6, 1). Er was een blije stemming tussen Jezus en zijn leerlingen. Hij was minder streng dan Johannes de Doper. Er was vreugde om de bruidegom in hun midden (Lc. 5,34). Hij had de grote groep mannen en vrouwen die naar hem waren komen luisteren in de streek van Betsaïda, gespijzigd met vijf broden en twee vissen, waarover hij de zegen had uitgesproken (Lc. 9,16).

Lucas heeft meerdere passages waarin Jezus tafelt, waar hij te gast is en zelf gastheer is. Hij was bij Martha en Maria (Lc. 10,38), hij was bij Levi (Lc. 5;27-29) en later bij Zacheüs (19,5-6), beide tollenaar. Hij was bij Simon, een Farizeeër (Lc. 7, 36). In het veertiende hoofdstuk vertelt Lucas over Jezus in het huis van een Farizeeër. Er was blijkbaar een verwantschap tussen Jezus en de Farizeeërs, die hij nochtans hevig kon aanvallen (Lc. 11,37-54).

Jezus houdt met zijn leerlingen het paasmaal (Lc. 22, 14). Hij zegt daar vanuit welke gezindheid hij heeft geleefd, deze van een dienaar. “De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar. Want wie is belangrijker, degene die aanligt of eet en of degene die bedient? Is het niet degene de aanligt? Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient” (Lc. 22,26-27).

Als verrezen Heer is hij op de paasavond bij zijn leerlingen (Lc. 24,41-42), waar hij met hen eet. En hij was voordien die dag met twee ontgoochelde volgelingen op weg geweest naar Emmaüs, waar hij voor hen het brood had gebroken (Lc. 24,30). Brood, dat hij blijft breken elke dag.

Lucas heeft weet van de Griekse literatuur, waar een maaltijd vaak een gelegenheid was tot filosoferen. Zijn beschrijving van de maaltijd bij de Farizeeër (Lc. 14, 1-24) heeft iets weg van die Griekse symposia. Bij Lucas is Jezus alleen aan het woord. De maaltijd, waartoe de Farizeeër Jezus had uitgenodigd, gebeurde op een sabbat. Op sabbat is de maaltijd feestelijk en wordt de dag voordien voorbereid. Meerdere genodigde waren aanwezig en plots kwam daar een spelbreker, een zieke man. Jezus genas deze en gaf meteen stof aan de Farizeeën, die hem nauwkeurig in het oog hielden. Feest en sabbat zijn voor Jezus geen excuus om niet te werken als een mens in nood verkeert. Jezus bevrijdt de man van zijn ziekte. Iemand herstellen is hem bij de gaafheid brengen van de eerste sabbat, de zevende dag, waarop de Heer rustte.

Uit de toespraak van Jezus tot de genodigden en tot de gastheer kunnen we alvast volgende gedachten halen.

1. Stel je niet op de voorgrond. Weet wie je ben en laat de gastheer je plaats bepalen. Voor Jezus is het God die onze plaats geeft en voor wie wij in eerlijk en oprecht mogen staan. God heeft een andere rangorde, dan deze die wij hanteren. Jezus is zelf het beeld van de nederige. Wanneer hij geboren werd, was er geen plaats voor hem (Lc. 2,7). Jezus heeft de gestalte van een slaaf aangenomen en werd gelijk aan een mens. “Als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood - de dood aan het kruis” (Phil. 2,7-8). Bij de communie bidden wij: “Heer ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt” (Lc. 7,6).

2. Wees gastvrij en geef plaats aan velen. Richt je feesten niet in met berekening en met de bedoeling hetzelfde terug te krijgen. Geef aan wie niet kunnen teruggeven. Nodig armen, kreupelen, verlamden en blinden uit (Lc. 14,13). Deze groepen mensen telden toen niet mee en onze maatschappij heeft er nu nog moeite heeft. Wij moeten blijven ijveren dat de integratie verder doorgaat. Elke mens heeft recht om mee aan te zitten aan de lange tafel, opgebouwd vanuit uit solidariteit. President Roosevelt had kinderverlamming gehad en moest een rolwagen gebruiken. Een beeldhouwer had hem zo willen uitbeelden, maar het beeld werd niet besteld en niet uitgevoerd. Een aantal zijn nog altijd gestoord door iemand die is verminkt.

Bij elk festijn dat wij inrichten kunnen we zorgen dat de arme niet vergeten wordt. Welke portie reserveren we voor hen? Welke steun geven we aan organisaties die een open deur hebben voor de armen zoals sociale restaurants?  

3. Participeer aan het visioen van de eindtijd, dat nu al een aanzet krijgt. Samen tafelen, een maaltijd, het houdt de droom in dat we allen mogen aanzitten aan het festijn van de eindtijd. Onder de genodigden in het huis van de Fazireeër is er slechts een wiens reactie gekend is. “Gelukkig al wie zal deelnemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God” (Lc. 14, 15), zei hij. De joden kenden het visioen van Jesaja over het messiaans festijn op de berg Sion (Jes. 25,6-9): “Op deze berg richt de HEER van de hemelse machten voor alle volkeren een feestmaal aan: uitgelezen gerechten en belegen wijnen, een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure , rijpe wijnen” (Jes. 25, 6).

Iets van deze droom leeft waar mensen feesten, festivals organiseren, Olympische spelen openen. Jezus antwoordt de man en herhaalt dat allen geroepen zijn en dat de armen, kreupelen, blinden en lammen van binnen en buiten de stad er welkom zijn (Lc. 14, 21). In zijn stem is er spijt en zelfs woede om wie eerst geroepen was en niet naar het feest komt (Lc. 14, 24). In het huis van de Heer is plaats voor velen. God nodigt uit en blijft uitnodigen. Wie reeds ja heeft gezegd, zal mede de zorg dragen om deze uitnodiging door te geven. “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en nodig iedereen met klem uit want mijn huis moet vol zijn” (Lc. 14, 24). Zijn we niet bang geworden om uit te nodigen naar het huis van Jezus?

4. Draag zorg voor de band tussen onze dagelijkse tafel en de eucharistische tafel. “Waar wij ook eten, steeds moet iets feestelijks over de maaltijd liggen, ook nog over de maaltijd van het dagelijks leven. Het is een feest van iedere dag. Want het spreekt van de eenheid binnen welke alles en allen een plaats willen verkrijgen, waarbinnen allen geborgen zijn en uit hun eenzaamheid worden bevrijd, het spreekt in het alledaagse leven zacht, maar toch verstaanbaar, over het gastmaal van het eeuwig leven” (K. Rahner, Meditaties over feesten en alledaagse dingen, p. 160).

Zalig wie genodigd is aan de maaltijd van de Heer (cf. Op. 19,9). Trekken de kerken niet meer grenzen dan de knechten die de Heer uitzond om naar zijn feest te komen?