Bij God heeft elke mens een ereplaats!

22e zondag door het jaar     Cyclus C        2013                            Sir 3, 17-18.20.28f

Lucas 14, 1.7-14


Bij god heeft elke mens een ereplaats!



Beste vrienden,
 

Ons, Christenen, werd altijd al met de paplepel ingegeven dat we nederig moeten zijn. De zusters op school vertelden ons stichtelijke verhalen over mensen die die nederigheid perfect beheersten.  Maar veel van die voorbeelden die ze aanhaalden zegden mij niet zo veel, ze kwamen mij krachteloos en dikwijls ook kitscherig over. En soms leek het ook wel alsof ik, om nederig te zijn, mijzelf zou moeten verontschuldigen, gewoon omdat ik leef. Het spijt me, maar in die zin wil ik niet nederig zijn!    
En dan is er nog dat steeds weerkerende spelletje waarin we allemaal toch zo bedreven zijn: “eet toch nog wat, mag ik u nog wat bijgeven? – Komt u toch wat meer vooraan zitten! – Kan u dat even van me overnemen, U kan dat toch zeker zeer goed!”  De aangesprokene aarzelt dan wat en talmt een beetje. Tenslotte wil je jezelf toch niet direct in het licht van de schijnwerpers plaatsen, maar eerder bescheiden op de achtergrond blijven. “Na u, gaat u maar voor! Dat was toch niet nodig geweest!” 

Een dergelijke beleefdheid, zo’n grote bescheidenheid en deemoed werken soms geweldig op de zenuwen, want pas op als je niet verder aandringt of smeekt, maar na de eerste aarzeling al zegt: “dan maar niet!”.  Dan zijn ze beledigd en verontwaardigd. Twee reacties die je regelmatig krijgt als je de mensen echt bij hun woord neemt. Tenslotte willen ze graag gevraagd worden, met nadruk gevraagd worden – een beetje naar het aangepaste woord van Jezus: wie zichzelf vernedert, die wil verhoogd worden! 

En wat horen we nu in het evangelie van vandaag? Dat evangelie strooit gewoon zout in dezelfde wonde: “Weest nederig, zet u liever achteraan, je loon zal des te groter zijn!” Maar is dat dan niet die zelfde mentaliteit als die waarmee wij dikwijls met elkaar omgaan?  Die zelfde schijnheilige nederigheid die maar doet alsof?  Iemand zet zich wel op één van de laatste plaatsen, maar hoopt tegelijk dat hij naar voren zal geroepen worden: “maar meneer de directeur, u hier? Uw plaats is toch gereserveerd op de eerste rij, naast de burgemeester en de bisschop!   Dan heb ik toch meer op met de bevrijdende eerlijkheid van de Duitse rijkskanselier Otto von Bismarck. Toen die op een keer, door een fout van een medewerker, niet op de ereplaats zat en ten gevolge daarvan de wanhopige pogingen tot verontschuldiging van de gastvrouw moest aanhoren, zei hij heel zelfbewust: “Weest U niet bezorgd mevrouw, daar waar ik zit, daar is altijd de ereplaats.” 
Het zou natuurlijk veel te oppervlakkig zijn als we het evangelie van vandaag gewoon maar als een verzameling van beleefdheidsregels zouden beschouwen. Het gaat Jezus niet om beleefdheidsregels, maar om het doorvoeren van een vernieuwing in ons hart. Hij wil ons leren hoe wij in een Christelijke gemeenschap onderling tegenover elkaar moeten staan. De maaltijd waarvan sprake was waarschijnlijk een sabbat maaltijd na de eredienst in de synagoge. Jezus observeert zijn disgenoten en neemt hun gedrag tot aanleiding om hen een les te leren. 

In de bijeenkomsten van zijn gemeente heeft Lucas zo’n gedrag ook waargenomen en hij herinnert zich aan wat Jezus in dit verband leerde: In een gemeenschap die naar het rijk Gods wil streven, moet niemand een ereplaats krijgen. Waardigheid en eer krijgen we alleen van God. En voor God is elke mens “eerwaardig”.  Ik ben een afbeelding van die God, voor wie elke mens gelijkwaardig en gelijkberechtigd is! 

Wij allemaal zijn gedoopt in de naam van Jezus van Nazareth, de man  , die zich bij de voetwassing helemaal onderaan aan de voeten van zijn leerlingen heeft gezet. De man die later helemaal ontdaan van elke macht, totaal machteloos, aan het kruis heeft gehangen. Een houding van geweldloos engagement voor al die mensen die niet geprivilegieerd zijn en helemaal onderaan de maatschappij vegeteren.   Als we ons aan God en aan deze Jezus oriënteren, dan leidt dat tot een broederlijke en zusterlijke levensstijl, niet alleen in de christelijke gemeenschap, maar ook in onze persoonlijke omgang met elkaar. 

Dat heeft ook gevolgen voor de werking van onze parochies. Het kerkelijk recht zegt: “Omwille van hun wedergeboorte in Jezus Christus zijn alle gelovigen, mannen en vrouwen, volledig gelijk in waardigheid en functie, daar ze ieder conform en op hun eigen plaats meewerken aan de opbouw van het lichaam van Christus.”    

De Christelijke gemeente is dus geen dienstverleningsbedrijf waar slechts enkelen dienen en anderen zich laten bedienen, of waar er één enkele de toon aangeeft en al de anderen zich daar moeten aan houden.   

Een Jezusgemeenschap moet een gemeenschap zijn van mensen die elkaar dienen, elk naar eigen aanleg en mogelijkheden, en die zich door Jezus ook de voeten laten wassen dwz. Zijn liefde aannemen om ze dan ook weer verder weg te schenken.

Uit die geest van dienstbaarheid in liefde volgt dan een tweede aanwijzing van Jezus. Ook geen beleefdheidsregel. Jezus heeft geen bezwaar tegen familie en vrienden. Zijn aanwijzing doelt op een open gezindheid van het hart. Op de liefde die niemand uitsluit, maar die iedereen aan de tafel van de gemeenschap uitnodigt.

Hoe dikwijls geven wij niet uit berekening, misschien wel met hoop op een beloning? Jezus is anders. Hij geeft aan diegenen die niets bezitten, die niets terug kunnen geven. Hij houdt maaltijd met alle uit de maatschappij uitgeslotenen. Aan die houding van Jezus moeten wij ons vandaag ook oriënteren. 

Wij moeten leren om de wereld te zien met Gods ogen. Dat bevrijdt ons van die dwang om krampachtig om de beste plaatsen te vechten. Want dan kunnen we voelen dat ons aanzien bij God nu reeds zeer hoog is en dat is veel belangrijker dan het vergankelijke aanzien dat ons bij mensen ten deel kan vallen. Wanneer we de mensen door Gods ogen  bekijken, dan voelen we aan dat elke mens zijn plaats heeft, onafgezien van wat hij is en van wat hij kan presteren. Als we de wereld met Gods ogen bekijken dan worden ook wij mensen die niet vechten om de beste plaatsen, maar die er eerder voor zullen zorgen dat iedereen een goede plaats krijgt bij ons en in onze parochie.  Amen.